Centrale Raad van Beroep, 05-06-2015 / 12-5273 WIA-T


ECLI:NL:CRVB:2015:1802

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Beëindiging WGA-uitkering. Wat betreft de beperkingen van appellante heeft de door de Raad geraadpleegde psychiater aangegeven zich niet te kunnen verenigen met twee items van de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. Betreffende het persoonlijk en sociaal functioneren vindt deze psychiater dat appellante licht beperkt is in het verdelen van de aandacht, waarbij zij zich niet met twee dingen tegelijk kan bezighouden, en zij moeite heeft met het hanteren van de emotionele problemen van anderen. Het bestreden besluit berust niet op een juiste medische grondslag. De Raad draagt het Uwv op om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-05
Publicatiedatum
2015-06-11
Zaaknummer
12-5273 WIA-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/5273 WIA

Datum uitspraak: 5 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

20 augustus 2012, 12/632 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.M. Eijgen-huijsen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

De Raad heeft prof. dr. H.J.C. van Marle, psychiater, als deskundige benoemd. Bij rapport van 6 januari 2015 heeft de deskundige de Raad van advies gediend.

Partijen hebben hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2015. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Eijgen-huijsen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante heeft gewerkt als ambulant begeleidster, met een dienstverband van 24 uur per week. Op 11 mei 2006 heeft zij zich ziek gemeld met psychische klachten vanuit een situatie waarin zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving. Met ingang van 8 mei 2008 heeft het Uwv aan appellante een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 80%.


1.2.

In het kader van een herbeoordeling heeft in juli 2011 medisch onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport informatie meegewogen van de behandelend psychiater F.P. Bish van 11 juni 2011, waaruit onder meer blijkt dat bij appellante sprake was van een ernstige terugval in de psychische klachten. De verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, waarna een arbeidskundige beoordeling heeft plaatsgevonden. Bij besluit van 26 augustus 2011 heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellante per 26 oktober 2011 beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.


1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 24 januari 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het bestreden besluit gebaseerd op een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 november 2011, een aangepaste FML van

9 november 2011 en rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

23 november 2011.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de belastbaarheid is overschat en dat werkhervatting voor 24 uur per week op en na 26 oktober 2011 zou hebben geleid tot psychische decompensatie. Zij heeft hiervoor verwezen naar een brief van psychiater Bish van 6 januari 2013. Ter verdere onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een in haar opdracht opgesteld rapport van 11 september 2013 overgelegd van psychiater

A.J.W.M. Trompenaars. Deze partijdeskundige komt tot de conclusie dat rond 26 oktober 2011 appellante maximaal beperkt was door de bij haar aanwezige ernstige en blijvende psychiatrische problematiek en daaruit voortvloeiende klachten, en dat werkhervatting in een reguliere baan niet meer tot de mogelijkheden behoort, dat niet werkhervatting naar belastbaarheid wordt overschreden en zij psychisch kan decompenseren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep zag in dat rapport geen aanleiding om de FML aan te passen, nu er onvoldoende onderbouwing voor de gestelde diagnose schizo-affectieve stoornis en de hieruit voortvloeiende kwetsbaarheid van appellante bestond.


3.2.

Psychiater Van Marle heeft bij rapport van 6 januari 2015 de Raad van advies gediend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierop aanleiding gezien tot bijstelling van de FML. Op grond van de aangepaste FML van 19 januari 2015 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de eerder geselecteerde functies opnieuw bezien en in rapport van

19 januari 2015 vermeld dat de geselecteerde functies gehandhaafd blijven en geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante niet wijzigt.


3.3.

Appellante heeft in reactie hierop gesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep eraan voorbij gaat dat zij rond de datum in geding herstellende was van een psychische decompensatie in juni 2011 en dat een urenbeperking in haar geval aangewezen is.


4. De Raad overweegt het volgende.


4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht het oordeel van het Uwv heeft onderschreven dat appellante met ingang van 26 oktober 2011 geen recht meer heeft op een WGA-uitkering, omdat zij minder dan 35 % arbeidsongeschikt is. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of bij appellante in voldoende mate rekening is gehouden met het risico op decompensatie bij werkhervatting en of voor appellante meer psychische beperkingen golden dan de verzekeringsarts heeft aangenomen.


4.2.

De door de Raad benoemde deskundige Van Marle heeft appellante onderzocht en heeft kennis genomen van de gedingstukken. In zijn rapport heeft Van Marle vastgesteld dat in oktober 2011 bij appellante sprake was van een chronische aanpassingsstoornis met angst en depressie, waarbij appellante aan het herstellen was van een psychische decompensatie. Ook was sprake van een verminderde belastbaarheid, bestaande uit een verhoogde gevoeligheid voor stress samenhangend met cluster B en C persoonlijkheidstrekken, moeite met het verdelen van de aandacht en het omgaan met emotionele problemen van anderen. Van Marle heeft tot slot geconcludeerd dat de reconvalescentie, de blijvende zorgen over haar zoon, in combinatie met appellantes kwetsbaarheid zou hebben geleid tot toename van de psychische klachten bij werkhervatting per datum in geding.


4.3.

Als uitganspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Er zijn geen specifieke bezwaren naar voren gebracht die een voldoende gemotiveerd betwisting inhouden van de juistheid van de in het rapport neergelegde zienswijze. Daarbij is in aanmerking genomen dat de conclusie van Van Marle ten aanzien van de vraag of werkhervatting per datum in geding mogelijk was overeenstemt met de bevindingen van de partijdeskundige Trompenaars en de verklaringen van psychiater Bish, die beiden hebben geconcludeerd dat werkhervatting voor 24 uur per week per datum in geding bij appellante zou hebben geleid tot verergering van de psychische klachten.


4.4.

Uit de rapportage van Van Marle, bezien in samenhang met die van Trompenaars en de inlichtingen van Bish, vloeit voort dat werkhervatting voor 24 uur per week in betaald werk op en na 26 oktober 2011 een reëel risico op psychische decompensatie zou hebben meegebracht. Immers, uit de genoemde psychiatrische rapporten en informatie valt af te leiden dat zo’n werkhervatting in de fase van herstel waarin appellante toen verkeerde zou hebben geleid tot een toename van de psychische klachten. Om die reden oordeelt de Raad dat het Uwv bij het bestreden besluit niet genoeg rekening heeft gehouden met het risico van decompensatie bij werkhervatting.


4.5.

Wat betreft de beperkingen van appellante heeft deskundige Van Marle aangegeven zich niet te kunnen verenigen met twee items van de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. Betreffende het persoonlijk en sociaal functioneren vindt Van Marle

dat appellante licht beperkt is in het verdelen van de aandacht, waarbij zij zich niet met twee dingen tegelijk kan bezighouden, en zij moeite heeft met het hanteren van de emotionele problemen van anderen.


4.6.

Geoordeeld wordt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van

19 januari 2015 afdoende heeft gemotiveerd waarom met de in de FML vastgestelde scores onder punt 1.9.2 en 1.9.7 reeds voldoende de door Van Marle geduide lichte beperking voor het verdelen van de aandacht wordt gewaarborgd en waarom de FML alleen onder punt 2.6 is aangepast.


4.7.

Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het bestreden besluit niet berust op een juiste medische grondslag. Om te kunnen komen tot een finale beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv opdracht te geven de medische grondslag van het bestreden besluit in overeenstemming te brengen met het oordeel van de deskundige en op basis van de zo bijgestelde grondslag een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante.



















BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en P.H. Banda en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2015.




(getekend) T.L. de Vries




(getekend) K. de Jong




RB