Centrale Raad van Beroep, 05-06-2015 / 12-546 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:1803

Inhoudsindicatie
Ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2014:3655) heeft het Uwv het bestreden besluit nader onderbouwd. Het Uwv heeft de beoordeling op juiste gronden gebaseerd op het met ingang van 1 oktober 2004 in werking getreden aangepaste Schattingsbesluit. Voldoende rekening gehouden met de bij appellante bestaande beperkingen. De drie in hoger beroep voorgehouden functies kunnen dan ook voor appellante als passend worden aangemerkt. Het Uwv heeft terecht geoordeeld dat appellante niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering. De rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit blijven in stand.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-05
Publicatiedatum
2015-06-11
Zaaknummer
12-546 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/546 WAO

Datum uitspraak: 5 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van

14 december 2011, 11/267 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 24 oktober 2014 een tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2014:3655) gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv bij brief van 22 december 2014 het bestreden besluit nader onderbouwd, met als bijlage rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

De gemachtigde van appellante, mr. J.W.M. Melief, advocaat, heeft hierop zijn zienswijze ingediend.

Hierna heeft het Uwv nog nadere stukken ingediend.

Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN


1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak.


1.2.

In de tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat het besluit van 9 februari 2011 (bestreden besluit) onvoldoende is gemotiveerd en een deugdelijke medische grondslag ontbeert.


2.1.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een per 23 maart 2011 geldende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waarin meer beperkingen zijn opgenomen dan in die per 22 april 2008, ook van toepassing geacht op en na 22 april 2008 en daartoe op 12 december 2014 een gewijzigde FML opgesteld. Vervolgens heeft de arbeidskundige bezwaar en beroep onderzocht welke gevolgen deze gewijzigde belastbaarheid heeft voor de aanspraak op uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op en na 22 april 2008. Bij rapport van

12 december 2014 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een aantal nieuwe functies geselecteerd en de theoretische schatting gebaseerd op de functies van loketbediende, telefonist/receptionist en de magazijn/expeditie-medewerker. Op basis van deze drie functies is de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 april 2008 bepaald op ruim 3%. Het Uwv heeft op grond hiervan het standpunt dat appellante per 22 april 2008 niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering gehandhaafd.


2.2.

Appellante heeft hier tegenin gebracht dat in de FML van 12 december 2014 nog steeds te weinig beperkingen zijn opgenomen. Ten onrechte zou een beperking op het aspect gehoor ontbreken. Een brief van KNO-arts B.O. Westerlaken van 8 november 2011 alsmede informatie van algemene aard over het syndroom van Verbiest is ingezonden. Verder heeft appellante een rapport van register arbeidsdeskundige W. de Jong van 22 januari 2015 meegezonden waarin de geschiktheid van de geduide functies is bestreden.


2.3.

Bij brief van 2 april 2015 heeft het Uwv rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 en 23 maart 2015 ingezonden.


3.1.

De Raad komt tot het volgende oordeel.


3.2.

Allereerst stelt de Raad met verwijzing naar een uitspraak van 9 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK0075, vast dat het Uwv de beoordeling op juiste gronden heeft gebaseerd op het met ingang van 1 oktober 2004 in werking getreden aangepaste Schattingsbesluit.


3.3.

Ten aanzien van de vraag of voldoende rekening is gehouden met de bij appellante bestaande beperkingen wordt overwogen dat bij de vaststelling van de belastbaarheid van appellante per 23 maart 2011 rekening werd gehouden met informatie van de radioloog en van de andere behandelaars. Op grond daarvan had de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML aangepast en meer beperkingen aangenomen. De stelling van appellante dat haar beperkingen ondanks de aanscherping van de belastbaarheid zijn onderschat, is met name gebaseerd op de (subjectieve) klachtenbeleving van appellante en mist aldus een toereikend objectief nadere onderbouwing. In de beschikbare medische stukken zijn onvoldoende objectief medische gegevens voorhanden die aanknopingspunten voor dat oordeel geven. Dat sprake is van een perceptief gehoorverlies beiderzijds, hetgeen volgt uit de brief van de

KNO-arts van 8 november 2011 is daarvoor onvoldoende, nu niet is gebleken dat appellante beperkt is om adequaat auditieve informatie op te nemen. Verder wordt de toelichting van het Uwv, dat appellante ter preventie van schade gehoorbescherming kan dragen, niet onjuist geacht.


3.4.

Wat betreft de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies wordt als volgt geoordeeld. Ten aanzien van de functie van loketbediende met sbc-code 316011 wordt overwogen dat het in de functie vereiste traplopen binnen de vastgestelde belastbaarheid valt. Verder blijkt uit het resultaat functiebelasting dat vertreden bij het vervullen van de functie tot de mogelijkheden behoort. In de functie komt geen geluidsbelasting voor zodat ook dit aspect geen probleem oplevert. Ook ten aanzien van het reiken valt de belasting van de functie binnen de gestelde belastbaarheid van appellante. Ten slotte wordt het Uwv gevolgd in haar toelichting dat appellante gezien haar driejarige

HBO-opleiding geacht kan worden de Engelse taal op VMBO-T niveau te beheersen. Ten aanzien van de functie van telefonist met sbc-code 315120 wordt de gehoorbeperking evenmin bezwaarlijk geacht. De toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 23 maart 2015 wordt volledig onderschreven. Ook wordt geen aanleiding gezien de functie van magazijn/ expeditie-medewerker niet geschikt te achten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op inzichtelijke wijze toegelicht dat ook bij piekbelasting van houding wordt gewisseld en dat vertreden mogelijk is. Trilbelasting komt niet in de functie voor omdat de ondergrond in de expeditie-ruimte egaal is. De omstandigheid dat sprake is van verminderd gehoor betekent niet dat de functie niet vervuld zou kunnen worden. Ten slotte vallen ook de in de functie voorkomende bewegingen van het hoofd binnen de belastbaarheid van appellante, als aangegeven in de FML. De drie in hoger beroep voorgehouden functies kunnen dan ook voor appellante als passend worden aangemerkt.


3.5.

Vervolgens dient te worden bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Uit overwegingen 3.3 volgt dat het Uwv het geconstateerde gebrek in de medische grondslag van het bestreden besluit alsnog heeft hersteld en de belastbaarheid van appellante in hoger beroep alsnog op juiste wijze heeft vastgesteld. Verder volgt uit overweging 3.4 dat vervulling van de in hoger beroep voorgehouden functies medisch gezien voor appellante mogelijk is. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat appellante per 22 april 2008 niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering en dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.


3.6.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten en met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.


4. Gelet op overwegingen 3.5 en 3.6 is er aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. De kosten in hoger beroep worden begroot op € 1.225,- (1 punt voor de indiening van het hoger beroepschrift, 1 punt het bijwonen van de zitting en ½ punt voor het geven van de zienswijze, waarbij de waarde per punt € 490,-- bedraagt).



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 1.225,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht in hoger beroep van € 112,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en J.W. Schuttel en B. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2015.




(getekend) R.E. Bakker




(getekend) R.L. Rijnen




NK