Centrale Raad van Beroep, 22-05-2015 / 13-3807 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1806

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om terug te komen van het besluit inzake de verlaging van zijn WGA-uitkering. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-22
Publicatiedatum
2015-06-11
Zaaknummer
13-3807 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3807 WIA

Datum uitspraak: 22 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 juni 2013, 12/6516 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015. Namens appellant is verschenen mr. B.C.F. Kramer, advocaat. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen.

Het onderzoek is heropend na de zitting. De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 13 april 2015. Namens appellant is verschenen mr. Kramer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant heeft met ingang van 18 april 2006 een uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op 80 tot 100%. Met ingang van 18 oktober 2007 is de loongerelateerde WGA-uitkering van appellant omgezet naar een

WGA-loonaanvullingsuitkering.


1.2.

Bij besluit van 27 augustus 2008 heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellant met ingang van 1 oktober 2006 verlaagd wegens inkomsten uit arbeid. Daarbij is vastgesteld dat appellant werkzaamheden op de [naam bazaar] heeft verricht en deze niet heeft gemeld aan het Uwv. Bij een tweede besluit van 27 augustus 2008 heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellant over de periode van 1 oktober 2006 tot en met 9 januari 2008 tot een bedrag van € 3.587,01 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 11 september 2008 heeft het Uwv appellant een boete van € 360,- opgelegd wegens het niet nakomen van de verplichting om informatie te verstrekken. De bezwaren tegen de terugvordering en de boete zijn bij besluit van 16 januari 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 26 augustus 2010 (09/361 WIA) het beroep van appellant tegen het besluit van 16 januari 2009 ongegrond verklaard. Appellant heeft daartegen hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 18 mei 2011 (10/5010 WIA) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 januari 2009 vernietigd voor zover daarbij het besluit van

11 september 2008 inzake de boeteoplegging is gehandhaafd en dat besluit van 11 september 2008 herroepen.


1.3.

Bij besluit van 15 januari 2008 heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellant met ingang van 1 april 2008 beëindigd op de grond dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 19 augustus 2008 gegrond verklaard, waarbij de WGA-uitkering met ingang van 1 april 2008 ongewijzigd is voortgezet en met ingang van 23 september 2008 is beëindigd op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van appellant op die datum minder dan 35% is. De rechtbank heeft bij uitspraak van 7 april 2009 (08/2597 WIA) het beroep van appellant tegen het besluit van 19 augustus 2008 ongegrond verklaard. Appellant heeft daartegen hoger beroep ingesteld. De Raad heeft psychiater prof. dr. W. van Tilburg benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Naar aanleiding van zijn rapporten van 2 november 2010 en 31 december 2010 heeft het Uwv op 28 januari 2011 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarbij het Uwv heeft vastgesteld dat de WGA-uitkering van appellant met ingang van 23 september 2008 ongewijzigd werd voortgezet. Bij uitspraak van 30 september 2011 (09/2743 WIA en 11/5739 WIA) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd, de beroepen tegen de besluiten van 19 augustus 2008 en 28 januari 2011 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat appellant met ingang van 23 september 2008 voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een uitkering in verband met de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA). Bij besluit van 25 oktober 2011 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 23 september 2008 een

IVA-uitkering toegekend.


1.4.

Bij brief van 23 december 2011 heeft appellant het Uwv verzocht om terug te komen van het besluit van 27 augustus 2008 inzake de verlaging van zijn WGA-uitkering met ingang van 1 oktober 2006.


1.5.

Op dit verzoek heeft het Uwv bij besluit van 23 juli 2012 afwijzend beslist op de aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ontleende grond dat de door appellant bij zijn verzoek genoemde stukken geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden opleveren, zodat de besluiten van 27 augustus 2008 onverkort gehandhaafd blijven. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 21 november 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Voor de motivering van het bestreden besluit is verwezen naar een rapport van 31 oktober 2012 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het besluit van 27 augustus 2008 inzake de verlaging van zijn WGA-uitkering, ongegrond verklaard.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de gewijzigde beslissing op bezwaar van 28 januari 2011, het rapport van Van Tilburg en het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 januari 2011 meebrengen dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van het rapport van Van Tilburg zijn standpunt herzien en te kennen gegeven dat appellant geen arbeidsmogelijkheden heeft vanwege fors disfunctioneren. Daarnaast is de opgelegde boete in de procedure bij de Raad niet gehandhaafd, omdat geen sprake kan zijn geweest van op loon waardeerbare werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende verdiensten.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1.

Het verzoek van appellant van 23 december 2011 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van het besluit van 27 augustus 2008 inzake de verlaging van zijn WGA-uitkering. Dit verzoek heeft betrekking op een op dat moment reeds afgesloten periode, namelijk van 1 oktober 2006 tot en met 9 januari 2008. Het besluit van 27 augustus 2008 over de verlaging van de

WGA-uitkering is in rechte onaantastbaar geworden, omdat appellant tegen dit besluit geen bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank heeft terecht op de desbetreffende aanvraag van appellant artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing geacht.

4.2.

Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.


4.3.

Ter ondersteuning van zijn verzoek om terug te komen van eerder vermeld besluit heeft appellant een beroep gedaan op de bevindingen van Van Tilburg in zijn rapporten van

2 november 2010 en 31 december 2010 en de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarop in zijn rapport van 6 januari 2011. De Raad is van oordeel dat een medisch rapport als zodanig geen nieuw feit is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, maar dat uit een rapport de aanwezigheid van een nieuw feit of van nieuwe feiten kan blijken. Tegen de achtergrond van de eerdere beschikbare medische rapporten ziet de Raad in het rapport van de door de Raad ingeschakelde deskundige Van Tilburg een andere zienswijze dan de (aanvankelijke) zienswijze van het Uwv over de arbeidsongeschiktheid van appellant naar voren komen, maar niet de ingevolge artikel 4:6 van de Awb vereiste nieuwe feiten of omstandigheden. Daarbij acht de Raad van belang dat Van Tilburg niet heeft uitgesloten dat appellant gedurende de periode van 1 oktober 2006 tot en met 9 januari 2008 - al dan niet boven zijn mogelijkheden - werkzaamheden heeft kunnen verrichten en dat het Uwv aan deze werkzaamheden een loonwaarde heeft mogen verbinden. De twijfel die Van Tilburg uitte bij de vraag of personen met een vergelijkbare aandoening als appellant duurzaam in staat zijn om te werken, terwijl zij anderzijds volgens de deskundige psychiater onder de juiste

- beschutte - omstandigheden best wel wat kunnen doen, betreft een algemene overweging die geen nieuw licht werpt op de loonwaarde van de activiteiten die appellant in de desbetreffende periode heeft verricht. Uit het rapport van Van Tilburg blijkt evenmin dat appellant buiten staat was het Uwv te informeren over zijn activiteiten op de [naam bazaar]. Over de loonwaarde van de hier bedoelde arbeid laat Van Tilburg zich als zodanig in het geheel niet uit. Dat geldt ook voor het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 januari 2011. Met juistheid heeft de rechtbank voorts overwogen dat de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het rapport Van Tilburg ziet op appellants arbeidsongeschiktheid per 23 september 2008 en niet op de periode nu in geding.


4.4.

Ten slotte is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat het intrekken van het boetebesluit niet zag op een onjuiste feitenvaststelling maar op de - niet door het Uwv aangetoonde - (objectieve en) subjectieve verwijtbaarheid van appellant met betrekking tot schending van de inlichtingenplicht. De door appellant gestelde samenhang tussen het rapport van Van Tilburg en de ingetrokken boete ten aanzien van de werkzaamheden van appellant acht de Raad niet aanwezig.


4.5.

Het Uwv mocht het verzoek van appellant van 23 december 2011 afwijzen met verwijzing naar zijn besluit van 27 augustus 2008. In wat appellant heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die het Uwv in het onderhavige geval aanleiding hadden moeten geven tot een andere beslissing te komen. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.


4.6.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


6. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de gevraagde schadevergoeding geen ruimte.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.


Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en J. Riphagen en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2015.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) I. Mehagnoul




JL