Centrale Raad van Beroep, 27-05-2015 / 13-6005 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1808

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Appellante is terecht in staat geacht twee van de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies -inpakker en samensteller- te verrichten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-27
Publicatiedatum
2015-06-11
Zaaknummer
13-6005 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6005 ZW

Datum uitspraak: 27 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 september 2013, 13/812 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 11 juli 2014 heeft het Uwv gereageerd op nader door appellante ingediende medische stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. E. Kafa, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN


1.1.

Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 16 mei 2011 het besluit van 13 januari 2011 waarin is geweigerd om aan appellante met ingang van 7 maart 2011 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, gehandhaafd. Dat besluit is in rechte komen vast te staan.


1.2.

Appellante heeft zich op 15 februari 2012, vanuit een situatie dat zij uitkering ontving ingevolge de Werkloosheidswet (WW), ziek gemeld. Per die datum is aan haar een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.


1.3.

Bij besluit van 20 november 2012 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellante beëindigd per 22 november 2012.


1.4.

Bij besluit van 28 december 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 november 2012 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van

14 december 2012.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de verzekeringsartsen van het Uwv de beperkingen van appellante op zorgvuldige en juiste wijze hebben vastgesteld. Er is rekening gehouden met de informatie van de behandelend sector. Appellante is terecht in staat geacht twee van de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies -inpakker en samensteller- te verrichten.


3. In hoger beroep heeft appellante wederom aangevoerd, onder overlegging van medische stukken waaruit onder meer blijkt dat zij nog steeds onder medische behandeling staat, dat zij als gevolg van fysieke (nek- en schouder) en psychische klachten per 22 november 2012 niet in staat was haar arbeid te verrichten.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die aan dat oordeel ten grondslag liggen. De in hoger beroep overgelegde stukken kunnen aan dat oordeel niet afdoen. Voor een deel zijn zij al eerder ingebracht en is met de inhoud van die stukken voldoende rekening gehouden bij het nemen van het bestreden besluit. Niet ontkend wordt dat appellante schouder, nek- en rugklachten heeft, doch daarmee is in voldoende mate rekening gehouden. Wat betreft het in hoger beroep ingebrachte rapport van 3 april 2014 van de Sint Maartenskliniek merkt de Raad op dat dit rapport dateert van geruime tijd na de datum in geding en verder geen blijk geeft van ernstige schouderproblemen. Appellante wordt aldaar ook niet verder behandeld. Ook voor de gestelde psychische klachten is geen medische onderbouwing aanwezig.


4.2.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.W. Akkerman en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2015.




(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) V. van Rij




HD