Centrale Raad van Beroep, 27-01-2015 / 13-4335 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:181

Inhoudsindicatie
De tegemoetkoming Wet kinderopvang. De Raad is niet bevoegd te oordelen over de hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken. Doorzending hoger beroepschriften naar de ABRvS. Intrekking en medeterugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-27
Publicatiedatum
2015-01-29
Zaaknummer
13-4335 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4335 WWB, 13/4336 WWB, 13/4337 WWB

Datum uitspraak: 27 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2013, 12/5416 en 12/6247 (aangevallen uitspraak 1) en van 9 juli 2013, 13/612 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellante] (appellante) en [Appellant] (appellant) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2014, waar appellanten, met bericht, niet zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.C. van Helvoort.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving vanaf 1 januari 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 10%. Appellante staat samen met haar dochtertje ingeschreven op het adres van haar moeder, [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).


1.2.

Appellant heeft vanaf 10 maart 2006, met onderbrekingen in verband met detentie en verblijf in het buitenland tot 20 maart 2012, bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande. Vanaf januari 2012 woont appellant op het adres van zijn moeder,

[Adres B] te [woonplaats] ([Adres B]).


1.3.

Op 23 april 2012 heeft appellant zich weer gemeld om bijstand aan te vragen. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente [woonplaats] (DWI) op 14 mei 2012 een huisbezoek afgelegd aan het [Adres B]. Tijdens dit huisbezoek zijn kleding van appellante en babyspulletjes aangetroffen. De DWI heeft naar aanleiding van de bevindingen tijdens dit huisbezoek een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de DWI onder meer dossieronderzoek gedaan, appellante op 5 september 2012 gehoord en bankafschriften opgevraagd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 11 september 2012.


1.4.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 14 september 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 oktober 2012 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante met ingang van 30 april 2012 in te trekken en bij besluit van 2 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 november 2012 (bestreden besluit 2), de tegemoetkoming voor de kosten van kinderopvang op grond van de Wet Kinderopvang (WKO) met ingang van 30 april 2012 in te trekken. Deze besluiten berusten op de grond dat appellanten een gezamenlijke huishouding met elkaar voeren. Het college heeft de kosten van bijstand en van de tegemoetkoming kinderopvang over de periode van 30 april 2012 tot en met 31 augustus 2012 van appellante teruggevorderd. Appellante heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen het terugvorderingsbesluit.


1.5.

Bij afzonderlijke besluiten van 9 oktober 2012 heeft het college de kosten van bijstand over de periode van 30 april 2012 tot en met 31 augustus 2012 tot een bedrag van € 4.152,47 en de tegemoetkoming kinderopvang tot een bedrag van € 1.179,07 mede van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 23 januari 2013 (bestreden besluit 3) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 9 oktober 2012 niet-ontvankelijk verklaard, voor zover de bezwaren zijn gericht tegen de intrekking van de bijstand en de tegemoetkoming kinderopvang, en ongegrond voor zover de bezwaren zien op de medeterugvordering.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 1 de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep van appellant tegen bestreden besluit 3 gegrond verklaard, bestreden besluit 3 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 27 maart 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA1800) heeft de rechtbank geoordeeld dat het college ten onrechte de bezwaren van appellant betreffende zijn betwisting van het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellante onbesproken heeft gelaten, zodat bestreden besluit 3 berust op een ondeugdelijke motivering. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar haar uitspraak in de zaak van appellante, aanleiding gezien de rechtsgevolgen in stand te laten, omdat het college terecht heeft geoordeeld dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd, appellant voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 3 in stand heeft gelaten. Kort gezegd hebben appellanten aangevoerd dat zij ten tijde in geding geen gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd, waarbij zij verwijzen naar wat hieromtrent in bezwaar en beroep is aangevoerd. Appellanten stellen dat de verklaring van appellante onvoldoende grondslag biedt voor de conclusie dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


de tegemoetkoming Wet kinderopvang


4.1.

De Raad stelt vast dat de aangevallen uitspraken deels zien op de intrekking en medeterugvordering van de tegemoetkoming kinderopvang van appellante op grond van de WKO. In artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State is onder meer bepaald dat een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) hoger beroep kan instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tenzij tegen die uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven of het gerechtshof. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende bij de Raad beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank inzake een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet. Aangezien de WKO daarin niet is opgenomen, is de Raad niet bevoegd te oordelen over de hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken voor zover deze betrekking hebben op de besluitvorming op grond van de WKO. De Raad zal de hoger beroepschriften, voor zover die betrekking hebben op de besluitvorming op grond van de WKO, met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb doorzenden naar de ABRvS.


de intrekking en medeterugvordering


4.2.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 30 april 2012 tot en met

14 september 2012.


4.2.2.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


4.2.3.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.


4.2.4.

Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.


4.2.5.

Op 5 september 2012 heeft appellante tegenover de DWI onder meer het volgende verklaard. “Het klopt inderdaad dat ik en mijn dochter een paar dagen per week op dit adres [het [Adres B]] verblijf. Mijn vriend, [appellant], verblijft dan ook bij zijn moeder. Gemiddeld is dit 3 a 4 dagen per week. (…) Wij vormen in feite een gezin maar hebben geen eigen woning. Het is vanaf ongeveer 30 april 2012 dat wij op twee adressen verblijven en een gezin vormen. Ik en mijn dochter hebben op het [Adres B] kleding liggen. (…) Mijn vriend heeft daar [op het uitkeringsadres)] ook kleding liggen. (…) Mijn vriend kookt wel eens als we bij mijn moeder [op het uitkeringsadres] zijn. Als we bij mijn schoonmoeder zijn halen wij ook boodschappen en mijn vriend kookt dan ook regelmatig als we bij zijn moeder verblijven.”


4.2.6.

Anders dan appellanten betogen, bieden de in 4.2.5 geciteerde verklaringen van appellante wel een ontoereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellanten gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De verklaring van appellante vindt bovendien steun in de bevindingen tijdens het in 1.3 genoemde huisbezoek aan het [Adres B]. Tijdens dat huisbezoek is kleding van appellante aangetroffen in de door appellant gebruikte slaapkamer en in de wasmand in de hal van de woning. Daarnaast zijn tijdens het huisbezoek onder meer kledingstukken, speelgoed en verzorgingsartikelen van de dochter van appellante aangetroffen.


4.2.7.

Uit 4.2.5 en 4.2.6 volgt dat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.


4.2.8.

Nu niet in geschil is dat appellanten in de te beoordelen periode zorg voor elkaar droegen, is ook aan het tweede criterium van een gezamenlijke huishouding voldaan en heeft het college terecht geconcludeerd dat appellanten in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd. Appellante heeft in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting daarvan geen melding gemaakt aan het college. Zij was in die periode niet te beschouwen als zelfstandig subject van bijstand.


4.3.1.

In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van de ten onrechte verleende bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.


4.3.2.

Gelet op 4.2.8 is appellant die persoon.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat aangevallen uitspraak 1, behoudens voor zover deze ziet op de tegemoetkoming op grond van de WKO, moet worden bevestigd en aangevallen uitspraak 2, behoudens voor zover deze ziet op de tegemoetkoming op grond van de WKO, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.


5. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de hoger beroepen gericht tegen de

aangevallen uitspraken voor zover deze zien op de tegemoetkoming op grond van de WKO;

- bevestigt aangevallen uitspraak 1, behoudens voor zover deze ziet op de tegemoetkoming op

grond van de WKO;

- bevestigt aangevallen uitspraak 2, behoudens voor zover deze ziet op de tegemoetkoming op

grond van de WKO, voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en M. Hillen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) C. Moustaïne



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.





HD