Centrale Raad van Beroep, 13-05-2015 / 14-1989 ZVW


ECLI:NL:CRVB:2015:1814

Inhoudsindicatie
Buitenlandbijdrage over 2011. Het imperatief gestelde in artikel 69 van de Zvw laat het Zorginstituut geen ruimte om in verband met de door appellant aangevoerde omstandigheden dat het Zorginstituut tekort is geschoten in zijn informatieplicht, af te zien van het opleggen van de buitenlandbijdrage. Overigens was informatie over de consequenties van verhuizen van Nederland naar Frankrijk en vice versa voor de verschuldigdheid van de buitenlandbijdrage destijds volgens het Zorginstituut beschikbaar op de internetsite van het Zorginstituut.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-13
Publicatiedatum
2015-06-11
Zaaknummer
14-1989 ZVW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1989 ZVW

Datum uitspraak: 13 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 maart 2014, 13/4795 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2015. Appellant is verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN



1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant woonde in 2011 in Frankrijk en ontving pensioen op grond

van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en pensioenen van Grafische bedrijfsfondsen, Centraal Beheer Achmea, Stichting bedrijfstakpensioen- fonds voor de detailhandel, Nationale Nederlanden en Reaal Verzekeringen.


1.2.

Mede gelet op de met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden

Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant door het Zorginstituut als verdragsgerechtigde aangemerkt. Door het bevoegde orgaan (CPAM) is op 11 augustus 2011 bevestigd dat appellant met ingang van 14 december 2010 in Frankrijk is ingeschreven voor medische zorg en dat de kosten voor die zorg ten laste van Nederland komen.


1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 16 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het Zorginstituut het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 februari 2013, waarbij de buitenlandbijdrage over 2011 is vastgesteld op € 5.167,67 (nog te betalen € 4.297,67), ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het door appellant gedane beroep op schending van het vertrouwensbeginsel niet slaagt.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij door het Zorginstituut onjuist en niet tijdig is geïnformeerd over zijn recht op zorg in Frankrijk en de door hem verschuldigde buitenlandbijdrage. Daardoor was hij niet op de hoogte van de voor hem van belang zijnde consequenties. Bij een juiste voorstelling van zaken, zou hij er destijds voor hebben gekozen om voor 1 juni 2011 van Frankrijk naar Nederland te verhuizen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het imperatief gestelde in artikel 69 van de Zvw laat het Zorginstituut geen ruimte om in verband met de door appellant aangevoerde omstandigheden dat het Zorginstituut tekort is geschoten in zijn informatieplicht, af te zien van het opleggen van de buitenlandbijdrage. Overigens was informatie over de consequenties van verhuizen van Nederland naar Frankrijk en vice versa voor de verschuldigdheid van de buitenlandbijdrage destijds volgens het Zorginstituut beschikbaar op de internetsite van het Zorginstituut. Indien er bij appellant onduidelijkheid bestond, had het op zijn weg gelegen om hierover nader bij het Zorginstituut te informeren.


4.2.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015.




(getekend) H.C.P. Venema




(getekend) B. Fotchind





MK