Centrale Raad van Beroep, 27-05-2015 / 13-5436 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1823

Inhoudsindicatie
Benadelingshandeling. Door in te stemmen met beëindiging van haar dienstverband, terwijl het arbeidsongeschiktheidsrisico reeds was ingetreden, heeft appellante haar aanspraak op loon van werkgeefster prijsgegeven. Dit handelen moet worden gekwalificeerd als het schenden van een verplichting van de vierde categorie als bedoeld in artikel 7, aanhef en onder a, van het Mb. Niet in overwegende mate verwijtbaar. De ZW-uitkering is ten onrechte blijvend geheel geweigerd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-27
Publicatiedatum
2015-06-12
Zaaknummer
13-5436 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/1134
  • RAR 2015/120
Uitspraak

13/5436 ZW

Datum uitspraak: 27 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 augustus 2013, 13/3435 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Winia hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft sinds 1 oktober 2000 werkzaamheden in dienstverband voor onbepaalde tijd verricht voor (de rechtsvoorganger van) [BV] (werkgeefster). Per 7 mei 2012 werkte appellante bij [bedrijf] als [functie].

1.2.

Op 13 juni 2012 heeft appellante zich wegens spanningsklachten en pijnklachten ziek gemeld voor haar werkzaamheden bij [bedrijf].


1.3.

Op 15 juni 2012 heeft werkgeefster appellante per 18 juni 2012 geschorst zonder behoud van loon voor de uren die zij werkzaam was bij [bedrijf]. Volgens werkgeefster was er sprake van verwijtbare opdrachtbeëindiging in welk geval appellante geen recht heeft op doorbetaling van loon.


1.4.

Bij brief van 20 juni 2012 heeft appellante aanspraak gemaakt op loon per 18 juni 2012 en verzocht de schorsing op te heffen.

1.5.

Nadat de toenmalige gemachtigde van appellante in een kort geding loondoorbetaling heeft gevorderd, hebben werkgeefster en appellante op 18 juli 2012 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Op grond van de vaststellingsovereenkomst is het dienstverband wegens een verschil van inzicht tussen appellante en werkgeefster over de wijze waarop appellante haar functie dient te vervullen per 1 september 2012 beëindigd. In verband met de beëindiging van het dienstverband heeft werkgeefster aan appellante een vergoeding van € 20.779,19 bruto betaald.

1.6.

Appellante heeft op 7 september 2012 bij het Uwv een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) aangevraagd.


1.7.

Bij besluit van 31 oktober 2012 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante een benadelingshandeling heeft gepleegd. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 maart 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante per 13 juni 2012 en per datum uitdiensttreding arbeidsongeschikt was. Appellante had daarom bezwaar moeten maken tegen de uitdiensttreding tijdens ziekte.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat zich in de rapporten van de verzekeringsartsen geen aanknopingspunten bevinden voor het oordeel dat de fysieke klachten van appellante niet (mede) de oorzaak zijn van haar arbeidsongeschiktheid per

13 juni 2012 en daarna zijn gebleven. In dit oordeel heeft de rechtbank zich gesterkt geacht door de ‘verzuimgerelateerde bijlage’ van 13 september 2012 waarin wordt gerapporteerd dat appellante is uitgevallen wegens hoofdpijnklachten waarbij de diagnose nekhernia is gesteld. Daarbij heeft de rechtbank gewezen op de door appellante ingevulde ‘Vragenlijst ziekte- en re-integratie’, waarin duidelijk wordt gevraagd naar de situatie op de eerste dag van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft op grond van het voorgaande geoordeeld dat de arbeidsongeschiktheid van appellante op 18 juli 2012 dezelfde oorzaak had als de arbeidsongeschiktheid ten tijde van de beëindiging van het dienstverband. Door zich niet te verzetten tegen de beëindiging van het dienstverband tijdens ziekte heeft appellante een benadelingshandeling gepleegd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat niet is gebleken dat de benadelingshandeling niet in overwegende mate aan appellante kan worden verweten. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het Uwv op goede gronden de maatregel van blijvend gehele weigering van een ZW-uitkering heeft opgelegd welke maatregel het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten (Maatregelenbesluit) in dit soort gevallen voorschrijft.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat ten onrechte is geoordeeld dat zij in de periode van 13 juni 2012 tot en met de beëindiging van het dienstverband aaneengesloten arbeidsongeschikt was. Aanvankelijk was er slechts sprake van situationele arbeidsongeschiktheid vanwege een arbeidsconflict. Appellante is immers uitgevallen vanwege de jarenlange spanningen met haar werkgeefster, die haar teveel werden. De fysieke klachten van appellante belemmerden haar toen niet om haar werkzaamheden te verrichten. Dat deze fysieke klachten later dermate zouden verslechteren waardoor appellante in het geheel geen werkzaamheden meer heeft kunnen verrichten, heeft zij nooit kunnen voorzien. Appellante heeft erop gewezen dat dit wordt bevestigd door de door haar ingeschakelde verzekeringsarts L. Kalb van het medisch adviesbureau Triage.


4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft het standpunt gehandhaafd dat appellante al arbeidsongeschikt was op het moment van ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Voor de van toepassing zijnde wet- en regelgeving wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.


5.2.

Partijen verschillen van mening over de vraag of appellante een benadelingshandeling heeft gepleegd in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW.


5.3.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dit het geval is. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een benadelingshandeling moet onder meer worden bezien in hoeverre appellante op de hoogte was van haar eigen ziekte of gebreken. Anders dan appellante heeft gesteld is niet gebleken dat zij ten tijde van het tekenen van de vaststellingsovereenkomst uitsluitend situatief arbeidsongeschikt was door het arbeidsconflict met haar werkgeefster. Ter zitting heeft appellante aangevoerd dat zij zich met spanningsklachten en pijnklachten ziek heeft gemeld. Voor het door appellante ter zitting ingenomen standpunt, dat zij pas na tekening van de vaststellingsovereenkomst op de hoogte is geraakt van de oorzaak van haar pijnklachten, bestaat onvoldoende grond. Uit de door appellante zelf ingevulde ‘Vragenlijst ziekte en

re-integratie’ volgt dat appellante ‘pijnklachten als gevolg van een nekhernia’ als reden voor haar ziekmelding heeft opgegeven. Anders dan appellante heeft gesteld mag van de juistheid van de door haar verstrekte antwoorden worden uitgegaan. Tevens volgt uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 februari 2013 dat appellante ten tijde van de ziekmelding pijnklachten en daarmee gepaard gaande uitvalsverschijnselen had, hetgeen ook wordt bevestigd door de informatie van neuroloog H. Koppen, waar appellante reeds toen al onder behandeling was. Ook volgt dit uit het door appellante overgelegde rapport van verzekeringsarts L. Kalb. De gemachtigde van appellante heeft bovendien in een brief van

20 juni 2012 aan werkgeefster te kennen gegeven dat sprake was van een nekhernia. Uit de hiervoor genoemde medische informatie volgt dat deze pijnklachten ten tijde van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst nog in onverminderde mate aanwezig waren en juist werden versterkt door de aanwezige spanningsklachten.


5.4.

Dat appellante op dringend advies van haar gemachtigde heeft ingestemd met beëindiging van haar dienstverband, zoals zij ter zitting heeft gesteld, maakt dit niet anders.


5.5.

Door in te stemmen met beëindiging van haar dienstverband, terwijl het arbeidsongeschiktheidsrisico reeds was ingetreden, heeft appellante haar aanspraak op loon van werkgeefster prijsgegeven.


5.6.

Het betreft hier een handelen dat moet worden gekwalificeerd als het schenden van een verplichting van de vierde categorie als bedoeld in artikel 7, aanhef en onder a, van het Maatregelenbesluit, waarbij gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder onderdeel d, van dat besluit, een blijvend gehele weigering van de uitkering past, tenzij het niet nakomen van de verplichting de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten.

5.7.

Het kan appellante onder de gegeven omstandigheden niet in overwegende mate worden verweten te hebben ingestemd met beëindiging van het dienstverband. Vaststaat dat de arbeidsverhouding met werkgeefster ernstig verstoord is geraakt. Zo heeft werkgeefster appellante, na een periode van arbeidsongeschiktheid wegens een burn-out, tegen het advies van de bedrijfsarts en tegen de uitdrukkelijke wens van appellante in herplaatst bij [bedrijf]. De ziekmelding van appellante per 13 juni 2012 in verband met vergelijkbare klachten heeft werkgeefster echter niet geaccepteerd. In plaats daarvan is werkgeefster na bericht van [bedrijf] direct overgegaan tot schorsing van appellante wegens verwijtbaar opdrachtbeëindiging en heeft zij de loondoorbetaling stopgezet. Pas nadat appellante zich met behulp van haar toenmalige advocaat heeft verzet tegen de schorsing en stopzetting van loon, onder dreiging van een kort geding procedure, is werkgeefster bereid gebleken het loon te betalen. Werkgeefster heeft de loonbetaling echter eerst willen hervatten indien het dienstverband zou worden beëindigd. Werkgeefster heeft appellante daartoe een beëindigingsvoorstel gedaan. De problematische verhouding met werkgeefster, de spanningsklachten en de lichamelijke klachten die appellante ondervond in samenhang met de ernstige verwijten die haar door werkgeefster werden gemaakt ten aanzien van de opdrachtbeëindiging en het stopzetten van de loondoorbetaling maken dat appellante niet in overwegende mate kan worden verweten dat zij een vaststellingsovereenkomst heeft getekend. Dat appellante de kort geding procedure niet heeft doorgezet, hetgeen volgens het Uwv van haar gevergd had mogen worden, kan haar onder deze omstandigheden niet worden tegengeworpen. In het licht van het voorgaande lag een vruchtbare samenwerking evident niet meer voor de hand.


5.8.

Het hoger beroep van appellante slaagt voor zover dit ziet op de hoogte van de opgelegde maatregel. Het Uwv heeft ten onrechte de ZW-uitkering blijvend geheel geweigerd. Dat betekent dat appellante met ingang van 1 september 2012 tot de dag dat zij in aanmerking is gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), in aanmerking komt voor een ZW-uitkering. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d in samenhang met onder c, van het Maatregelenbesluit is in dit geval een maatregel van 25 procent van het uitkeringsbedrag gedurende vier maanden passend en geboden.


5.9.

Uit 5.7 en 5.8 volgt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien, onder meer omdat voor de bepaling van het recht op ZW-uitkering van appellante met ingang van 1 september 2012 tot en met de dag waarop appellante in aanmerking is gebracht voor een WIA-uitkering, gegevens nodig zijn waarover de Raad niet beschikt. Het Uwv zal daarom met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar van appellante slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.


6. Het verzoek van appellante om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen ZW-uitkering komt voor toewijzing in aanmerking. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.


7. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar, € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.940,-.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 7 maart 2013 gegrond en vernietigt dit besluit;
  • - draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
  • - veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente zoals onder overweging 6 van deze uitspraak is vermeld;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.940,-;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 162,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2015.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) J.C. Hoogendoorn



NK