Centrale Raad van Beroep, 10-06-2015 / 13-5782 AWBZ-T


ECLI:NL:CRVB:2015:1824

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Zorgindicatie. De rechtbank heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Nader onderzoek naar de behoefte van appellante aan dagbesteding is achterwege gebleven. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd. De Raad draagt CIZ op om het gebrek in het besluit te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-10
Publicatiedatum
2015-06-16
Zaaknummer
13-5782 AWBZ-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/244
  • USZ 2015/278
Uitspraak

13/5782 AWBZ-T

Datum uitspraak: 10 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 september 2013, 13/298 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

CIZ



PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.A. Verbeek, advocaat, hoger beroep ingesteld.


CIZ heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met zaak 13/6577 AWBZ plaatsgevonden op 18 maart 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verbeek. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C.J.G. van Maris-Kindt en T. Hoolsema. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante, geboren[in] 1965, heeft ten gevolge van een auto-ongeluk in 1992 niet aangeboren hersenletsel. Als gevolg daarvan heeft zij ernstige cognitieve problemen, alsmede lichamelijke beperkingen. Appellante beschikte over een indicatie voor zorgzwaartepakket (ZZP) LG02 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), voor de periode van 21 april 2009 tot 20 april 2014. In 2012 is bij appellante borstkanker gediagnosticeerd. Bij aanvraag van 20 augustus 2012 heeft appellante CIZ verzocht haar met ingang van 1 september 2012 te indiceren voor ZZP LG04.

1.2.

Bij besluit van 6 september 2012 heeft CIZ appellante geïndiceerd voor ZZP LG02 voor de periode van 6 september 2012 tot 5 september 2027.

1.3.

Bij besluit van 6 december 2012 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar van appellante gegrond verklaard, het besluit van 6 september 2012 ingetrokken en een nieuwe indicatie vastgesteld. Appellante is voor de periode van 6 september 2012 tot 5 september 2027 geïndiceerd voor ZZP LG04.

2. De rechtbank heeft het op 5 maart 2013 ingestelde beroep van appellante tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het bestreden besluit op de juiste wijze aan de gemachtigde van appellante is bekend gemaakt, zodat de beroepstermijn na de verzending van het bestreden besluit is aangevangen. Het enkele feit dat bij appellante onduidelijkheid bestond over bepaalde aspecten van het besluit brengt niet met zich mee dat het besluit niet is bekend gemaakt. Nu het besluit bekend is gemaakt en de beroepstermijn op 6 december 2012 is aangevangen, staat vast dat appellante met haar beroepschrift van 5 maart 2013 te laat beroep heeft ingesteld, zodat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard tenzij sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De stelling van appellante dat zij pas medio februari 2013 van het zorgkantoor heeft begrepen dat CIZ haar een ZZP LG04 heeft toegekend zonder begeleiding groep heeft de rechtbank verworpen. De rechtbank was het met appellante eens dat het dictum van het bestreden besluit en de toepasselijke beleidsregels over het al dan niet toekennen van begeleiding groep verwarring scheppen, maar was van oordeel dat in de motivering van het bestreden besluit toereikend aanknopingspunten zijn te vinden dat haar niet die begeleiding in groepsverband of dagbesteding is toegekend waarop zij meende recht te hebben. Volgens de rechtbank waren deze aanknopingspunten voldoende voor (de gemachtigde van) appellante om te beoordelen of al dan niet tegen het bestreden besluit beroep moest worden ingesteld.

3. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat het bestreden besluit niet bekend is gemaakt op 6 december 2012. Verder heeft appellante onder meer gesteld dat CIZ haar op onaanvaardbare wijze heeft misleid door haar op de ochtend van de hoorzitting te bellen met de mededeling dat volledig aan haar bezwaar zou worden tegemoetgekomen. Appellante stelt dat zij, indien zij had geweten dat het de bedoeling van CIZ was om in het besluit op bezwaar, anders dan in het primaire besluit, geen dagbesteding te indiceren, niet van de hoorzitting had afgezien. Door deze gang van zaken te accepteren heeft de rechtbank appellante van een eerlijke behandeling van haar zaak afgehouden, wat in strijd is met artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bekendmaking van een beslissing op bezwaar gebeurt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht. Door de schriftelijke ontvangstbevestiging van 7 december 2012 door de gemachtigde van appellante is aannemelijk dat CIZ het bestreden besluit op 6 december 2012 heeft verzonden en daarmee bekend heeft gemaakt. Dit betekent dat de termijn voor het instellen van het beroep is aangevangen op de dag na die waarop het bestreden besluit is bekend gemaakt, in dit geval op 7 december 2012, en geëindigd is op 17 januari 2013. Dit betekent dat het beroepschrift van 5 maart 2013 met overschrijding van de termijn is ingediend. De rechtbank diende het beroep daarom niet-ontvankelijk te verklaren tenzij sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. De Raad is anders dan de rechtbank van oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Daarbij heeft de Raad het volgende in aanmerking genomen.

4.2.

Appellante heeft onweersproken gesteld dat zij gedurende een reeks van jaren steeds een indicatie voor zorg heeft gehad inclusief dagbesteding. Tussen partijen is niet in geschil dat CIZ (ook) bij het primaire besluit van 6 september 2012 aan appellante een ZZP LG02 heeft toegekend inclusief dagbesteding.

4.3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 september 2012. In de aanvullende gronden van haar bezwaar van 9 november 2012 heeft zij - uitsluitend - betoogd dat niet het profiel van ZZP LG02, maar dat van ZZP LG04 overeenkomt met haar situatie. Appellante heeft de in het besluit van 6 september 2012 toegekende dagbesteding niet bestreden.

4.4.

Appellante heeft met een formulier van 13 november 2012 te kennen gegeven dat zij gebruik wilde maken van de mogelijkheid haar bezwaren mondeling toe te lichten tijdens een hoorzitting. CIZ heeft appellante daarop uitgenodigd voor een hoorzitting op 28 november 2012 om 14.00 uur. Tussen partijen is niet in geschil dat de hoorzitting geen doorgang heeft gevonden. Gelet op wat is besproken ter zitting is verder niet in geschil dat (een medewerker van) CIZ de gemachtigde van appellante op de ochtend van de hoorzitting heeft gebeld met de mededeling dat CIZ volledig aan het bezwaar tegemoet wilde komen en dat om die reden de hoorzitting geen doorgang hoefde te vinden. Bij faxbericht van 28 november 2012 aan - de betreffende medewerker van - CIZ heeft de gemachtigde van appellante dit telefoongesprek en de uitkomst ervan, te weten het achterwege laten van de hoorzitting, bevestigd. CIZ heeft vervolgens het bestreden besluit genomen waarin, anders dan in het besluit van 6 september 2012, geen dagbesteding was opgenomen. Weliswaar bevat het bestreden besluit in de motivering een alinea over het niet bestaan van een aanspraak op aanvullende dagbesteding, maar daaruit heeft appellante, mede gelet op de vermelding in het bestreden besluit dat CIZ “geheel tegemoet [kan] komen aan uw bezwaar”, niet hoeven afleiden dat dit relevant was voor het persoonsgebonden budget. De gevolgen van het bestreden besluit zijn appellante eerst duidelijk geworden nadat het Zorgkantoor ter uitvoering daarvan verleningsbesluiten had genomen. Deze verleningsbesluiten zijn genomen na het verstrijken van de beroepstermijn van het bestreden besluit. Pas door de verleningsbesluiten werd voor appellante duidelijk dat niet volledig was tegemoetgekomen aan haar bezwaar en dat in het bestreden besluit, anders dan in het primaire besluit, geen dagbesteding meer geïndiceerd was, terwijl dat geen voorwerp van het bezwaar was geweest en niet concreet en ondubbelzinnig uit dat besluit kon worden afgeleid. Dit betekent dat appellante door de mededelingen van CIZ op de dag van de hoorzitting op het verkeerde been is gezet. Om die reden kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.6.

De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. CIZ heeft ter zitting gesteld dat gelet op de voorgeschiedenis waarin jarenlang dagbesteding is geïndiceerd en de aanvraag van 20 augustus 2012 waarin werd aangegeven dat geen dagbesteding werd gewenst - wat zo heeft appellante ter zitting toegelicht, berust op een vergissing - nader onderzoek had moeten plaatsvinden naar de behoefte van appellante aan dagbesteding. Nu dit onderzoek achterwege is gebleven is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Dit gebrek kan uitsluitend worden hersteld door een beslissing die gebaseerd is op nader (medisch) onderzoek door CIZ naar de behoefte aan dagbesteding van appellante. Daarom kan de Raad niet zelf voorzien in de zaak of de rechtsgevolgen in stand laten. Er is aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht CIZ op te dragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij het hiervoor genoemde gebrek wordt hersteld.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt CIZ op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 6 december 2012 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2015.




(getekend) R.M. van Male




(getekend) I. Mehagnoul




NK