Centrale Raad van Beroep, 29-05-2015 / 14-1088 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1827

Inhoudsindicatie
In hoger beroep geen objectief medische informatie ingebracht die aanleiding geeft tot twijfel aan de juistheid en volledigheid van de voor appellante per 7 november 2012 in aanmerking genomen arbeidsbeperkingen. Uit het aan de beslissing van 19 maart 2014 onderliggende verzekeringsgeneeskundige rapport van 6 maart 2014, komt naar voren dat, gelet op informatie vanuit de behandelende sector, aannemelijk is te achten dat sprake is van een toename van de psychische beperkingen van appellante vanaf 17 december 2013. Ten tijde in geding onderging appellante ook geen behandeling voor psychische klachten meer.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-29
Publicatiedatum
2015-06-12
Zaaknummer
14-1088 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1088 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

15 januari 2014, 13/360 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Uitspraakdatum: 29 mei 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. U. van Ophoven, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd ontbrekende stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ophoven. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is in oktober 2006 wegens klachten van overspannenheid uitgevallen voor haar werkzaamheden als verkoopster. Uit een medisch onderzoeksverslag van 15 juli 2008, bevattende een weergave van de bevindingen bij medisch onderzoek door de verzekeringsarts in juli 2008, komt naar voren dat appellante naast psychische klachten, die in dit verslag worden aangeduid als berustend op een depressieve episode, ook diverse pijnklachten heeft.


1.2.

De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat voor appellante, gelet op de voor haar door de verzekeringsarts in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 juli 2008 vastgelegde forse beperkingen op persoonlijk en sociaal gebied, waaronder de beperking dat appellante is aangewezen op werk onder rechtstreeks toezicht en intensieve begeleiding, geen functies in het vrije bedrijf vallen aan te geven.


1.3.

In lijn met de evenvermelde resultaten van het verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoek, heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van

13 oktober 2008 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.4.

Bij een herbeoordeling in 2010 is geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante niet is gewijzigd. Raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem door de arbeidsdeskundige wees uit dat voor appellante, gegeven het grote aantal psychische beperkingen dat door de verzekeringsarts was vastgelegd in de FML van

8 februari 2010, geen functies vielen aan te geven.


1.5.

Omdat de loongerelateerde WGA-uitkering eindigde op 13 juni 2011, is de uitkering van appellante met ingang van die datum voortgezet als loonaanvullingsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij heronderzoek door de verzekeringsarts in mei 2011, was geconstateerd dat de mogelijkheden van appellante om te functioneren, niet waren gewijzigd ten opzichte van de functionele mogelijkheden zoals vastgelegd in de FML van

8 februari 2010.


2.1.

Op 15 maart 2012 is appellante in het kader van een nader heronderzoek onderzocht door de verzekeringsarts. Uit het hiervan opgestelde rapport van 13 april 2012 komt naar voren dat de verzekeringsarts de depressieve klachten van appellante, gelet op presentatie, functioneren en dagverhaal, als van relatief lichte aard bestempelt. Van een gerichte behandeling voor die klachten is geen sprake. Wel is naast genoemde klachten sprake van een zekere persoonlijkheidsproblematiek (afhankelijk vermijdend). De verzekeringsarts ziet geen

contra-indicatie voor het verrichten van weinig stresserende werkzaamheden waarbij intensief contact met andere mensen kan worden vermeden. Hoewel er op somatisch vlak geen specifieke afwijkingen zijn vastgesteld, heeft de verzekeringsarts appellante toch fysiek beperkt belastbaar geacht, vanwege aspecifieke spier- en gewrichtsklachten, in combinatie met haar tengere lichaamsbouw. De verzekeringsarts heeft de door hem voor appellante van toepassing te achten beperkingen neergelegd in een FML van 13 april 2012.


2.2.

Zoals naar voren komt uit een rapport van de arbeidsdeskundige van 31 augustus 2012, kan appellante, gegeven de in de FML van 13 april 2012 aangegeven beperkingen, met diverse loondienstfuncties nog een zodanig inkomen verwerven dat ten opzichte van het maatgevende inkomen geen sprake is van enig verlies van verdiencapaciteit.


2.3.

In lijn met evenvermelde uitkomsten van het onderzoek door de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige, heeft het Uwv bij besluit van 6 september 2012 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 7 november 2012 niet langer recht bestaat op een WIA-uitkering, in verband waarmee die uitkering met ingang van laatstgenoemde datum is ingetrokken.


2.4.

Nadat appellante bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 6 september 2012, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van het door hem ingestelde onderzoek geconcludeerd dat niet is gebleken van gronden om af te wijken van het primaire medische oordeel. Van het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onder meer deel uitgemaakt kennisname van informatie van diverse behandelaars van appellante: een brief van 6 november 2012 van de aan GGZ Friesland verbonden sociaal psychiatrisch medewerker A. Stuij, een verwijsbrief van appellantes huisarts van 7 november 2012, stukken betreffende indicatie huishoudelijke hulp ingevolge de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2011 en 2012 en een brief van 7 december 2012 van de internist-hematoloog L.F. Schipper.


2.5.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een nadere selectie gemaakt van voor appellante geschikt te achten functies, maar dit heeft geen wijziging gebracht in de conclusie van het primaire arbeidskundige onderzoek dat bij appellante, gelet op haar resterende verdiencapaciteit, niet langer sprake is van enig verlies aan verdienvermogen.


2.6.

Hierop heeft het Uwv bij besluit van 7 februari 2013 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.


3.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.


3.2.

De rechtbank heeft, samengevat, overwogen dat sprake is geweest van een voldoende en zorgvuldig medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv. Appellante is op een spreekuurcontact bij de verzekeringsarts verschenen en ook is zij tijdens de hoorzitting gezien door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De door haar ingebrachte stukken van behandelaars zijn beoordeeld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft vastgesteld dat met de lichamelijke en psychische klachten van appellante rekening is gehouden. Zij heeft geen objectief medische informatie ingebracht op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat zij op de datum in geding meer (medisch) beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen. De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden om nog nadere informatie van behandelaars af te wachten of om een onafhankelijk deskundige in te schakelen, zoals door appellante verzocht. Ten slotte heeft de rechtbank zich ook met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen.


4. Appellante heeft in hoger beroep staande gehouden dat zij veel ernstiger beperkt is dan waarvan het Uwv is uitgegaan. Zij acht zich vanwege de ernst van de door haar ondervonden beperkingen in het geheel niet in staat tot het verrichten van loonvormende arbeid. Zij meent dat haar eigen opvatting met de door haar in de loop van de procedure ingebrachte informatie genoegzaam objectief medisch is onderbouwd. Wat betreft haar psychische situatie heeft appellante nog erop gewezen dat zij kort voor de zitting bij de rechtbank door haar huisarts werd verwezen naar de GGZ, omdat zij in toenemende mate in psychische problemen raakte. Ten onrechte heeft de rechtbank volgens appellante haar verzoek tot benoeming van onafhankelijk deskundige gepasseerd. Zij heeft dit verzoek herhaald. Ook heeft appellante nadere stukken ingebracht, onder meer stukken van diverse behandelaars. Ook heeft zij een beslissing van het Uwv van 19 maart 2014 en van de daaraan ten grondslag liggende rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van respectievelijk 6 maart 2014 en 12 maart 2014 ingezonden. Bij die beslissing is appellante opnieuw, met ingang van

17 december 2013, in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering.


5.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.2.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het onderzoek door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende uitgebreid en voldoende zorgvuldig is geweest. De door appellante ingebrachte informatie van haar behandelaars is in de afweging betrokken en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat en waarom die informatie niet leidt tot wijziging of aanvulling van de conclusies van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling.


5.3.

Voorts geldt dat appellante ook in hoger beroep geen objectief medische informatie in het geding heeft gebracht die aanleiding geeft tot twijfel aan de juistheid en volledigheid van de voor haar met betrekking tot de in geding zijnde datum 7 november 2012 in aanmerking genomen arbeidsbeperkingen. De in hoger beroep nader ingezonden stukken - het gaat daarbij in het bijzonder om een verwijsbrief van de huisarts van 23 januari 2014, een afsprakenbrief bij de reumatoloog van 24 januari 2014, een brief van GGZ Friesland van 28 januari 2014 en een brief van reumatoloog L. Hendriks van 14 maart 2014 - leggen onvoldoende gewicht in de schaal, reeds omdat deze stukken dateren van geruime tijd na de datum in geding en geen informatie bevatten die ziet op de gezondheidssituatie en de beperkingen van appellante op de datum in geding.


5.4.

Appellante heeft in hoger beroep, zoals vermeld onder rechtsoverweging 4, ook stukken in het geding gebracht met betrekking tot een nadere beslissing van het Uwv van 19 maart 2014, waarbij zij met ingang van 17 december 2013 opnieuw voor een WIA-uitkering in aanmerking is gebracht. Appellante stelt zich op het standpunt dat deze beslissing een onderstreping vormt van haar opvatting dat haar gezondheidssituatie in de loop der tijd - sedert de toekenning van uitkering met ingang van 13 oktober 2008 - niet wezenlijk is gewijzigd. Zij ziet hierin een extra argument gelegen voor haar opvatting dat haar uitkering met ingang van 7 november 2012 ten onrechte is beëindigd.


5.5.

De Raad volgt appellante niet in deze opvatting. Uit het aan de beslissing van 19 maart 2014 onderliggende verzekeringsgeneeskundige rapport van 6 maart 2014, komt naar voren dat, gelet op informatie vanuit de behandelende sector, aannemelijk is te achten dat sprake is van een toename van de psychische beperkingen van appellante vanaf 17 december 2013. De verzekeringsarts wijst erop dat dit ook in lijn is met de eigen melding door appellante dat haar psychische klachten vanaf 17 december 2013 zijn toegenomen Deze toename wordt, aldus de verzekeringsarts, ook onderbouwd door de gegevens vanuit de behandelende sector. De klachten van appellante zijn dusdanig verergerd, dat zij daarvoor opnieuw specialistische behandeling nodig had. De Raad wijst in aanvulling hierop nog erop dat appellante ook in haar beroepschrift in hoger beroep te kennen heeft gegeven dat zij kort voor de zitting bij de rechtbank door haar huisarts werd verwezen naar de GGZ, omdat zij in toenemende mate in psychische problemen was geraakt. Anders dan appellante stelt, kan uit deze nadere gegevens dan ook niet worden afgeleid dat haar medische situatie in overwegende mate ongewijzigd is gebleven.


5.6.

Bij zijn oordeelsvorming over de op de datum in geding voor appellante van toepassing geachte psychische beperkingen, heeft de Raad voorts in het bijzonder belang toegekend aan het gegeven dat de verzekeringsarts bij onderzoek van appellante op 15 maart 2012 geen ernstige problematiek op psychisch gebied heeft kunnen vaststellen. Haar klachten werden bij onderzoek door de verzekeringsarts op dat moment aangeduid als van relatief lichte aard. Zoals ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 19 december 2012 heeft gesteld, is dan ook aannemelijk te achten dat in psychisch opzicht de ernst van de situatie van appellante was afgenomen. In lijn hiermee is het gegeven dat appellante ten tijde van de datum in geding ook geen behandeling voor psychische klachten meer onderging.


5.7.

In aanmerking nemende voorts dat ook in hoger beroep niet is kunnen blijken van objectief medische gronden om de belastbaarheid van appellante op fysiek gebied niet juist te achten, concludeert de Raad dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Hierin ligt besloten dat ook de Raad geen aanleiding heeft om het verzoek van appellante tot benoeming van een onafhankelijk deskundige te honoreren.


5.8.

Ervan uitgaande dat de beperkingen van appellante niet zijn onderschat, heeft de Raad, ten slotte, ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de functies die uiteindelijk aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, buiten het bereik van appellante zouden liggen. De passendheid van de functies is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep genoegzaam toegelicht.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.W. Schuttel en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2015.



(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) G.J. van Gendt




JL