Centrale Raad van Beroep, 22-05-2015 / 13-4935 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:1833

Inhoudsindicatie
Het is vaste rechtspraak dat een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. De conclusies van de rechtbank zijn juist en wat appellant heeft aangevoerd, vormt geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsartsen. Het Uwv heeft in het bestreden besluit verzuimd de toepassing van artikel 39a van de WAO te beoordelen en ook of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van zijn besluiten van 10 maart 2010. Daarom is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en dientengevolge niet deugdelijk gemotiveerd. Zijn er voldoende gegevens beschikbaar om tot een eindoordeel over de aanvraag te komen? Geen sprake van toegenomen klachten. De nieuwe diagnose geeft geen aanleiding om de mate van arbeidsongeschiktheid per 3 september 2009 te herzien. Geen deskundige. Wel pkv en gr. recht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-22
Publicatiedatum
2015-06-12
Zaaknummer
13-4935 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4935 WAO

Datum uitspraak: 22 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

25 juli 2013, 13/195 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nadere reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2015. Namens appellant is verschenen mr. J.S. Vlieger, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beyen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant heeft in september 1996 zijn werkzaamheden als productiemedewerker gestaakt wegens lage rugklachten. Bij besluit van 28 juli 1998 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv met ingang van 20 september 1997 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend op de grond dat appellant per die datum 80 tot 100% arbeidsongeschikt werd beschouwd.


1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 2 november 2005 heeft het Uwv de herziening van appellants WAO-uitkering met ingang van 23 januari 2003 gehandhaafd op de grond dat appellant per die datum 25 tot 35% arbeidsongeschikt werd beschouwd. Het beroep van appellant tegen dat besluit is bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 mei 2007 gegrond verklaard, waarbij het besluit is vernietigd onder instandlating van de rechtsgevolgen. De uitspraak van de rechtbank is door de Raad bij uitspraak van 18 februari 2009, (ECLI:NL:CRVB:2009:BH3866) bevestigd.


1.3.

Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 30 november 2006 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 24 januari 2007 ingetrokken op de grond dat appellant per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt werd beschouwd. Na het einde van de detentie van appellant heeft het Uwv bij besluiten van 10 maart 2010 appellants

WAO-uitkering met ingang van 3 september 2009 heropend en bepaald dat appellant 25 tot 35% arbeidsongeschikt werd beschouwd.


1.4.

Op 21 september 2011 heeft appellant zich tot het Uwv gewend met een wijzigingsformulier. Hierop is vermeld dat zijn klachten zijn toegenomen en dat uit onderzoek is gebleken dat hij mogelijk lijdt aan het restlesslegssyndroom. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 29 juni 2012 de

WAO-uitkering ongewijzigd voortgezet op de grond dat appellant 25 tot 35% arbeidsongeschikt werd beschouwd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 4 december 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 februari 2010 onveranderd van toepassing acht.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat er geen reden is de conclusie van die arts voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde ten onrechte dat de klachten waaraan appellant als gevolg van restlesslegssyndroom lijdt, waaronder slapeloosheid, niet leiden tot verdergaande beperkingen. Het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is volgens appellant niet innerlijk consistent en daarmee in strijd met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c van het Schattingsbesluit. Ten onrechte zijn geen beperkingen aangenomen in verband met appellants slapeloosheid, waaronder een urenbeperking. Appellant heeft voorts gesteld dat hij vasthoudt aan zijn standpunt dat hij een herziening wenst van de besluiten van 10 maart 2010, gelet op de toezegging van de verzekeringsarts in 2010 dat de beperkingen met terugwerkende kracht kunnen worden aangepast (vanaf 3 september 2009) indien een nieuwe ziekteoorzaak zou worden gevonden.


3.2.

Het Uwv heeft ten aanzien van de grondslag van het bestreden besluit het volgende standpunt ingenomen. In het bestreden besluit heeft het Uwv de ongewijzigde voortzetting van appellants WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, gehandhaafd onder verwijzing naar artikel 36 van de WAO. In zijn brief van

23 december 2014 heeft het Uwv toegelicht dat de beoordeling van de aanvraag van

21 september 2011 moet worden gebaseerd op artikel 37 van de WAO. Eerst ter zitting van de Raad heeft het Uwv onderkend dat tevens de toepasselijkheid van artikel 39a WAO moet worden bezien. Ter zitting van de Raad is door de gemachtigde van het Uwv bevestigd dat bij de beoordeling van door appellant gestelde toename van de beperkingen het Uwv is uitgegaan van dezelfde ziekteoorzaak als ter zake waarvan uitkering wordt genoten. Ten aanzien van de toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft Uwv zich ter zitting van de Raad op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake is van een nieuw medisch feit, namelijk de inmiddels gestelde diagnose restlesslegssyndroom, maar dat dit feit geen aanleiding vormt om terug te komen van de besluiten van 10 maart 2010.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 januari 2015, (ECLI:NL:CRVB:2015:1), moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd een verzoek te doen om terug te komen van een eerder besluit (met ingang van de datum waarop dat besluit zag), een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid of een verzoek te doen om herziening voor de toekomst. Dit onderscheid is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter. Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het Uwv daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen.


4.2.

In de uitspraak van 14 januari 2015 is verder uiteengezet op welke wijze dergelijke aanvragen door de aanvrager moeten worden onderbouwd en door het Uwv moeten worden beoordeeld en hoe de rechter beslissingen van het Uwv op dergelijke aanvragen toetst. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende.


4.3.

Onder toepassing van hetgeen onder 4.1 is overwogen, moet de aanvraag van appellant naar zijn strekking worden beoordeeld. De aanvraag van appellant betrof een verzoek om wijziging van zijn WAO-uitkering in verband met verslechterde gezondheid. In een begeleidende brief vermeldde appellant dat uit onderzoek blijkt dat hij mogelijk sinds 2006 lijdt aan het restlesslegssyndroom en dat zijn klachten (waaronder slaapproblemen) zijn verergerd. In de bezwaarprocedure heeft appellant daarnaast gesteld dat sinds de laatste verzekeringsgeneeskundige beoordeling in 2010 een diagnose is gevonden, dat dit een nieuw gegeven is en dat hij daarom vraagt om herziening van zijn WAO-uitkering vanaf

3 september 2009. De aanvraag van appellant moet derhalve overeenkomstig zijn strekking worden opgevat als een verzoek om terug te komen van de besluiten van 10 maart 2010 alsmede als een beroep op de artikelen 37 en 39a van de WAO wegens toegenomen klachten. Gelet op het door het Uwv erkende feit dat eenzelfde oorzaak aan de gestelde toename van de klachten ten grondslag ligt als ter zake waarvan hij uitkering (berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%) geniet, is een louter op de toekomst gerichte herziening van de besluiten van 10 maart 2010 in dit geval niet aan de orde.


4.4.

Het Uwv heeft in het bestreden besluit uitsluitend beslist of sprake is toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 37 van de WAO en heeft naar aanleiding van de aanvraag van appellant niet tevens beslist of sprake is toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 39a van de WAO noch beslist of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van zijn besluiten van 10 maart 2010.


4.5

Voor zover appellant heeft beoogd een beroep op het bepaalde in artikel 37 van de WAO te doen, overweegt de Raad als volgt. De rechtbank heeft in dat verband met juistheid gewezen op de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals weergegeven in het rapport van 29 november 2012. In dit rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het zeer aannemelijk geacht dat de klachten die appellant reeds geruime tijd ervaart, moeten worden aangemerkt als een restlesslegssyndroom, maar tevens geconstateerd dat bij diverse onderzoeken door medisch-specialisten geen specifieke afwijkingen werden gevonden, zodat er onvoldoende medische argumenten zijn om de eerder vastgestelde belastbaarheid te herzien. Het rapport bevat hiermee een deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige reactie op de bezwaren die betrekking hebben op appellants gezondheidstoestand. In de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geaccordeerde en onveranderd van toepassing geachte FML uit 2010 zijn beperkingen voor het verrichten van arbeid opgenomen ten aanzien van sociaal functioneren, dynamische handelingen en statische houdingen. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat verdergaande beperkingen, waaronder een urenbeperking, hadden moeten worden aangenomen wegens zijn slaapproblemen. In zijn rapporten van 29 november 2012 en 18 april 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erkend dat appellants klachten van met name zijn benen vooral optreden bij het gaan liggen en slapen, maar dat uit slaaponderzoek geen afwijkingen zijn gebleken en dat appellant volgens informatie van de huisarts goed reageert op medicatie. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat het verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop het Uwv zich baseert niet juist is, heeft appellant geen medisch oordeel gesteld dat doet twijfelen aan de juistheid van dat standpunt van het Uwv. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hetgeen appellant heeft aangevoerd, geen reden vormt om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsartsen.


4.6.

Nu er vanaf 9 september 2009 geen sprake was van een toename van appellants beperkingen, kon voor wat betreft het (door appellant niet aangevochten) arbeidskundige onderdeel van de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid worden volstaan met het refereren aan de in 2010 geselecteerde functies. Dit zou slechts anders zijn indien had moeten worden aangenomen dat deze of soortgelijke passende functies inmiddels niet meer reëel beschikbaar zouden zijn. Voor dit laatste bestaan onvoldoende aanknopingspunten, te meer omdat het veelvoorkomende productiefuncties betreft. Daarbij acht de Raad het niet aannemelijk dat bij een eventuele actualisering van deze functies appellant in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse had moeten worden ingedeeld, nu in 2010 is uitgegaan van een mate van arbeidsongeschiktheid van appellant van 28%, welke mate van arbeidsongeschiktheid ruim onder de bovengrens van de klasse ligt. Het Uwv heeft zich in het bestreden besluit dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de nieuwe diagnose restlesslegssyndroom geen aanleiding geeft appellant op grond van artikel 37 van de WAO in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse in te delen.


4.7.

Het Uwv heeft - in weerwil van de in 4.3 vastgestelde strekking van de aanvraag van appellant - uitsluitend beoordeeld of er voor appellant aanspraak op uitkering bestaat op grond van artikel 37 van de WAO. Nu het Uwv in het bestreden besluit dientengevolge heeft verzuimd te beoordelen of hetgeen door appellant is aangevoerd ertoe kan leiden dat hij aanspraak kan maken op een uitkering krachtens artikel 39a van de WAO dan wel of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van zijn besluiten van 10 maart 2010, is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en dientengevolge niet deugdelijk gemotiveerd, zodat dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2, eerste lid en 7:12, eerste lid van de Awb niet in stand kan blijven. Nu zulks niet door de rechtbank is onderkend, moet de aangevallen uitspraak eveneens worden vernietigd. De Raad zal thans bezien of er voldoende gegevens beschikbaar zijn om tot een eindoordeel over de aanvraag van appellant te komen.


4.8.

Met betrekking tot appellants beroep op artikel 39a van de WAO wegens toegenomen klachten, blijkt uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 november 2012 en 18 april 2013 genoegzaam dat weliswaar de door appellante naar voren gebrachte medische klachten voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als op grond waarvan hij een WAO-uitkering ontvangt, maar dat er geen aanwijzingen bestaan dat zijn medische beperkingen binnen vijf jaar na 9 september 2009 zijn toegenomen. De Raad verwijst hierbij naar het geen onder 4.5 is overwogen. Dit betekent dat de aanvraag van appellant ook voor zover deze geacht moet worden gebaseerd te zijn op artikel 39a van de WAO, dient te worden afgewezen.


4.9.

Voor zover de aanvraag van appellant een verzoek om terug te komen van de besluiten van 10 september 2010 behelst, overweegt de Raad als volgt. Ter ondersteuning van zijn verzoek om zijn arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen heeft appellant vermeld dat uit onderzoek blijkt dat hij mogelijk sinds 2006 lijdt aan het restlesslegssyndroom en dat pas na de laatste verzekeringsgeneeskundige beoordeling in 2010 deze diagnose is gesteld. Op grond van dit nieuwe gegeven vraagt hij terug te komen van genoemde besluiten en zijn

WAO-uitkering vanaf 3 september 2009 te herzien in de zin dat hij vanaf die datum in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse wordt ingedeeld. De Raad stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, uitgaande van dit nieuwe medische gegeven, de medische beperkingen van appellant opnieuw heeft beoordeeld, maar dat dit niet tot een andere uitkomst heeft geleid. In het hiervoor reeds genoemde rapport van 29 november 2012 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich op het standpunt gesteld dat het inmiddels zeer aannemelijk is te achten dat sprake is van een restlesslegssyndroom, maar dat bij diverse onderzoeken door medisch-specialisten geen specifieke afwijkingen werden gevonden, zodat er onvoldoende medische argumenten zijn om de eerder vastgestelde belastbaarheid te herzien. De Raad verwijst hierbij voor zijn oordeel over de zienswijze van de verzekeringsarts wederom naar hetgeen onder 4.5 is overwogen. De nieuwe diagnose restlesslegssyndroom geeft dan ook geen aanleiding om het Uwv te verplichten terug te komen van de besluiten van 10 maart 2010 en de daarin vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid per 3 september 2009 te herzien.


4.10.

Zoals in het vorenstaande ligt besloten acht de Raad acht zich voldoende voorgelicht over de gezondheidssituatie van appellant. Raad ziet daarom evenals de rechtbank geen aanleiding om een onafhankelijke medische deskundige te benoemen.


4.11.

Hetgeen hiervoor is overwogen, leidt tot de conclusie dat de aanvraag van appellant ook met betrekking tot de twee aspecten die niet door het Uwv zijn beoordeeld, dient te worden afgewezen. Dit betekent dat de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep gegrond zal verklaren, het bestreden besluit zal vernietigen, en onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zal laten.


5. Er bestaat derhalve aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep, totaal € 1.960,-.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep

  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het besluit van 4 december 2012;
  • - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-;
  • - bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 160,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2015.



(getekend) H. van Leeuwen




(getekend) J.R. van Ravenstein



JL