Centrale Raad van Beroep, 29-05-2015 / 14-4171 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1834

Inhoudsindicatie
Er is geen recht ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA en dit staat, gelet op de uitspraak van de Raad van heden, 13/4186 WIA, in rechte vast. Dat betekent dat in dit geding van de passendheid van de geduide functies dient te worden uitgegaan. De claim dat de operatie aan het been op 14 augustus 2013, waarbij een pin is verwijderd uit de enkel, toegenomen beperkingen oplevert is niet plausibel omdat deze ingreep slechts minimale weefselschade toebrengt. Lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts heeft dit bevestigd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-29
Publicatiedatum
2015-06-12
Zaaknummer
14-4171 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4171 ZW

Datum uitspraak: 29 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 juni 2014, 14/879 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 13/4186 WIA, plaatsgevonden op

17 april 2015. Voor appellante is verschenen mr. Verkoeijen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J.M.H. Lagerwaard. Na de behandeling zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als schoonmaakster toen zij in 2010 uitviel wegens diverse lichamelijke klachten en vermoeidheid. Het Uwv heeft vastgesteld dat voor appellante met ingang van 4 april 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.


1.2.

Appellante heeft zich op 11 januari 2013 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 6 december 2013, gehandhaafd bij besluit van 4 februari 2014 (bestreden besluit), vastgesteld dat appellante per 9 december 2013 geen recht (meer) heeft op ziekengeld omdat zij geschikt is te achten voor de eerder bij de Wet WIA-beoordeling geduide functies.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij niet in staat kan worden geacht de geduide functies uit te oefenen omdat zij op de datum in geding nog niet hersteld was van de operatie die zij heeft ondergaan. Naast lichamelijke beperkingen ondervindt appellante ook beperkingen als gevolg van psychische klachten. In verband met deze klachten is appellante verwezen naar een psychiatrisch intensieve thuiszorg (PIT)-verpleegkundige. Met de psychische klachten is ten onrechte geen rekening gehouden bij het duiden van de functies. Verder is appellante van mening dat het Uwv ten onrechte geen informatie heeft opgevraagd bij de behandelend sector over de operatie of de verwijzing naar de PIT-verpleegkundige.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering op grond van de Wet WIA. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.


4.2.

Dat voor appellante met ingang van 4 april 2012 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA staat, gelet op de uitspraak van de Raad van heden, 13/4186 WIA, in rechte vast. Dat betekent dat in dit geding van de passendheid van de in dat kader geduide functies dient te worden uitgegaan.


4.3.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rapportages van de verzekeringsartsen van het Uwv vormen een toereikende medische grondslag voor het oordeel dat appellante met ingang van 9 december 2013 geschikt is te achten voor ten minste één van de haar in het kader van de WIA-beoordeling in 2012 voorgehouden functies. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 27 januari 2014 vastgesteld dat de claim dat de operatie aan het been op 14 augustus 2013, waarbij een pin is verwijderd uit de enkel, toegenomen beperkingen oplevert niet plausibel is omdat deze ingreep slechts minimale weefselschade toebrengt. Dit werd bij lichamelijk onderzoek door deze verzekeringsarts bevestigd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep, die blijkens zijn rapport op de hoogte was van de verwijzing naar een PIT-verpleegkundige en het gebruik van medicatie in verband met psychische klachten, heeft bij eigen onderzoek geen tekenen van een afwijkende psyche vastgesteld. Uit het rapport kan worden opgemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep over voldoende informatie beschikte, zodat het inwinnen van medische informatie niet noodzakelijk was. Nu namens appellante geen medische gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat haar lichamelijke en psychische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid zijn onderschat, is er geen aanleiding om het standpunt van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet op dit oordeel is voor een veroordeling tot schadevergoeding geen plaats.


5. Voor proceskostenveroordeling is geen aanleiding.


BESLISSING



De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2015.




(getekend) Ch. van Voorst




(getekend) V. van Rij




JvC