Centrale Raad van Beroep, 03-06-2015 / 13-5873 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:1842

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek van eigenrisicodrager voor de WW om het WW-toekenningbesluit te herzien. Ontoereikende onderbouwing van het verzoek. Geen concrete argumenten of feiten aangevoerd die er op duiden dat de zogenoemde vrij te laten uren die aan werknemer zijn toegekend, onjuist zouden zijn. Details van de door werknemer opgevoerde sollicitaties ontbreken, maar zijn beschrijvingen duiden er op dat in acht van de door hem opgevoerde sollicitaties sprake was van een activiteit gericht op het eigen bedrijf. Werknemer heeft derhalve onvoldoende gesolliciteerd. Het Uwv was daarom gehouden een maatregel op te leggen. Het Uwv zal de schade dienen te vergoeden die appellante heeft geleden als gevolg van het niet opleggen van een maatregel.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-03
Publicatiedatum
2015-06-16
Zaaknummer
13-5873 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/219
Uitspraak

13/5873 WW, 13/5875 WW, 14/4483 WW

Datum uitspraak: 3 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

20 september 2013, 12/1234 en 12/1235 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[naam stichting] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft K. Mulder hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 14 mei 2014 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 14/5378 WW plaatsgehad op 22 april 2015. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Beers en mr. J. Visser, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

[naam werknemer] (werknemer) is van 26 november 1991 tot en met 31 juli 2011 in dienst geweest van appellante. Bij besluit van 1 september 2011 heeft het Uwv werknemer met ingang van 1 augustus 2011 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Appellante is eigenrisicodrager voor de WW. Op 2 april 2012 heeft appellante zich schriftelijk tot het Uwv gericht en heeft een zogenoemde melding verwijtbaar gedrag ten aanzien van werknemer gedaan.


1.2.

Op verzoek van het Uwv heeft werknemer opgave gedaan van door hem verrichte sollicitaties in de periode van 1 januari 2012 tot en met 29 februari 2012 en daarbij ook bewijsstukken ingebracht. Bij besluit van 8 mei 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat werknemer in de betreffende periode aan zijn sollicitatieplicht heeft voldaan.


1.3.

Op 16 maart 2012 heeft appellante het Uwv verzocht om het besluit van 1 september 2011 te herzien. Als reden daarvoor heeft appellante aangevoerd dat nieuwe feiten ten aanzien van werknemer bekend zijn geworden. Bij besluit van 9 mei 2012 heeft het Uwv dat verzoek afgewezen met als reden dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden.


2. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 8 en 9 mei 2012. Bij beslissing op bezwaar van 24 oktober 2012 (bestreden besluit II) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2012 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd. Bij beslissing op bezwaar van 25 oktober 2012 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 8 mei 2012 ongegrond verklaard en daarbij gesteld dat werknemer gemiddeld één keer per week heeft gesolliciteerd in de periode van 1 januari 2012 tot en met 29 februari 2012 zodat hij aan zijn sollicitatieplicht heeft voldaan.


3. Appellante heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten I en II. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank die beroepen ongegrond verklaard. Ten aanzien van bestreden besluit I heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv als uitgangspunt kan hanteren dat werknemer aan zijn sollicitatieplicht heeft voldaan als hij gemiddeld ten minste één keer per week solliciteert. De door werknemer in de betreffende periode verrichte activiteiten waren naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet en verifieerbaar. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat acquisitie als zelfstandige kan worden aangemerkt als een concrete sollicitatieactiviteit. Ten aanzien van bestreden besluit II heeft de rechtbank geoordeeld dat van appellante mocht worden verlangd dat zij in haar verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeldde en dat appellante daarin niet is geslaagd.


4.1.

In hoger beroep heeft appellante haar eerder ingenomen stellingen herhaald. Zij is van mening dat werknemer in de betreffende periode onvoldoende concrete verifieerbare sollicitaties heeft verricht en dat acquisitie niet als een concrete sollicitatieactiviteit kan worden aangemerkt. Verder heeft appellante haar eerder ingenomen standpunt herhaald en gesteld dat het onderzoek door het Uwv onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat het Uwv over een veel langere periode de activiteiten had dienen te bezien.


4.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.1.

Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onderdeel b, ten eerste, van de WW voorkomt de werknemer dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verwerven.


5.1.2.

Ingevolge artikel 24, derde lid, van de WW wordt als passende arbeid, bedoeld in het eerste lid, beschouwd alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheid van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd.


5.1.3.

Op grond van artikel 27, derde lid, weigert het Uwv de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, ten eerste.


5.1.4.

Op grond van artikel 27, zesde lid, van de WW wordt een maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging kan worden verweten. Op grond van het tiende lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld met betrekking tot het derde en zesde lid.


5.1.5.

Die nadere regels zijn gegeven in het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten (Maatregelenbesluit). In artikel 6, eerste lid, Maatregelenbesluit worden de verplichtingen op grond van de WW ingedeeld in de derde categorie voor zover zij betrekking hebben op het voorkomen werkloos te zijn of te blijven door in onvoldoende mate te trachten passende of algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.


5.1.6.

Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, Maatregelenbesluit wordt de hoogte en duur van een op te leggen maatregel vastgesteld op 25% van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 15 procent of ten hoogste 100 procent van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste vier maanden bij verplichtingen uit de derde categorie.


5.1.7.

Op grond van artikel 22a, eerste lid, van de WW herziet het Uwv een besluit tot toekenning van uitkering of trekt het dat in indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 24 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.


Herzieningsverzoek


5.2.

Naar aanleiding van het herzieningsverzoek van appellante van 16 maart 2012 en de in dat verband ingebrachte informatie over de activiteiten van werknemer als zelfstandige, heeft het Uwv op 14 mei 2014 een nieuw besluit genomen over het recht op WW-uitkering met ingang van 1 augustus 2011 en de in verband daarmee zogenoemde vrij te laten uren. Dit besluit van 14 mei 2014 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken. Aangezien bestreden besluit II niet langer wordt gehandhaafd, kan dit besluit niet in stand blijven.


5.3.1.

Als redenen voor het verzoek om het toekenningsbesluit te herzien heeft appellante onder meer gewezen op de onduidelijkheden ten aanzien van de werkzaamheden van werknemer als zelfstandige en zijn sollicitatiegedrag.


5.3.2.

Appellante is als eigenrisicodrager in de onderwijssector verantwoordelijk voor de re-integratie van werknemer. Uit dien hoofde dient appellante zorg te dragen voor de begeleiding van werknemer. Dat brengt mee dat bij een juiste uitvoering van die taak, appellante zeer goed op de hoogte kan zijn van de (inhoud van) diens activiteiten en sollicitaties. Het is daarom aan appellante om bij het Uwv op basis van concrete gegevens gerede twijfel aan de juistheid van de toekenning van WW-uitkering aan werknemer aan de orde te stellen. Appellante heeft geen toereikende onderbouwing van haar verzoek gegeven.


5.3.3.

De zogenoemde vrij te laten uren die aan werknemer zijn toegekend bij het besluit van 14 mei 2014 zijn gebaseerd op een eigen opgave van werknemer en zijn in het licht van gewerkte uren in loondienst niet onlogisch. Verder heeft appellante geen concrete argumenten of feiten aangevoerd die er op duiden dat deze vrijlating onjuist zou zijn.


5.3.4.

Er is dan ook geen grond om het besluit van 14 mei 2014 niet in stand te laten.


Sollicitatieplicht


5.4.1.

Niet ter discussie staat dat werknemer geacht werd gemiddeld één sollicitatie per week te verrichten. Over de beoordeelde periode bracht dat dus mee dat werknemer ten minste acht concrete en verifieerbare sollicitaties diende te verrichten. Het Uwv heeft in het bestreden besluit I vermeld dat werknemer niet van alle sollicitatieactiviteiten bewijsstukken heeft kunnen overleggen. Daarmee staat vast dat werknemer niet heeft voldaan aan de voorwaarde van de verifieerbaarheid.


5.4.2.

Evenmin staat ter discussie dat werknemer in een aantal gevallen acquisitie voor zijn werk als zelfstandige heeft gepleegd en dat als sollicitatieactiviteit heeft opgevoerd. In het bestreden besluit I heeft het Uwv als toelichting een aantal voorbeelden gegeven bij wat door het Uwv onder sollicitatieactiviteiten wordt verstaan. Acquisitie voor het eigen bedrijf wordt daarin niet genoemd. Het ligt niet in de rede om acquisitie voor het eigen bedrijf aan te merken als trachten passende arbeid te verwerven in de zin van artikel 24, eerste lid, van de WW. Mede gelet op artikel 24, derde lid, van de WW gaat het bij het trachten passende arbeid te verwerven om arbeid in een dienstverband. Ook de bijzondere regeling die in artikel 77a van de WW is neergelegd waarbij het een werkloze, binnen het kader en met behoud van de WW-uitkering, mogelijk wordt gemaakt werkzaamheden als zelfstandige te verrichten, duidt daar op. Details van de door werknemer opgevoerde sollicitaties ontbreken, maar zijn beschrijvingen duiden er op dat in acht van de door hem opgevoerde sollicitaties sprake was van een activiteit gericht op het eigen bedrijf. Mede gelet op de vaststelling in onderdeel 5.4.1 heeft werknemer in de betreffende periode onvoldoende gesolliciteerd. Het Uwv was daarom gehouden een maatregel op te leggen.


5.4.3.

Het in onvoldoende mate trachten passende arbeid te verwerven brengt, gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 6, eerste lid, van het Maatregelenbesluit in beginsel een maatregel mee van 25% van het uitkeringsbedrag gedurende ten minste vier maanden. Er is geen aanleiding om deze maatregel op een ander percentage of een andere duur te stellen.


5.4.4.

Ter zitting heeft appellante toegelicht dat zij met deze procedure niet beoogt dat het Uwv werknemer alsnog een maatregel oplegt, maar slechts dat het Uwv de schade vergoedt die appellante heeft geleden als gevolg van het feit dat er geen maatregel is opgelegd op de uitkering van werknemer en een te hoog bedrag aan uitkering van werknemer op appellante is verhaald. Gelet op hetgeen onder 5.4.3 is overwogen, zal het Uwv daarom de schade dienen te vergoeden die appellante heeft geleden als gevolg van het niet opleggen van de aldaar genoemde maatregel.


6. In onderdeel 3.27 van de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank een beroepsgrond van appellante verworpen tegen een ook op 24 oktober 2012 door het Uwv gehandhaafd besluit om geen dwangsom wegens niet tijdig beslissen te betalen. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat dit onderdeel van de aangevallen uitspraak niet langer wordt bestreden.


7. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep tegen de besluiten van 24 en 25 oktober 2012 gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit I zal wegens strijd met artikel 27, derde lid, van de WW worden vernietigd en het Uwv zal worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 mei 2012. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op dat bezwaar slechts beroep kan worden ingesteld bij de Raad. Het bestreden besluit II zal eveneens worden vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 14 mei 2014 zal ongegrond worden verklaard.


8. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de kosten van appellante voor verleende rechtsbijstand. De kosten in bezwaar worden begroot op € 980,-, in beroep op € 980,- en in hoger beroep op € 980,-, in totaal € 2.940,-.







BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
  • - verklaart het beroep tegen de besluiten van 24 en 25 oktober 2012 gegrond;
  • - vernietigt het besluit van 24 oktober 2012, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2012 ongegrond is verklaard;
  • - vernietigt het besluit van 25 oktober 2012;
  • - draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 mei 2012 te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat tegen het nieuwe besluit slechts hoger beroep bij de Raad kan worden ingesteld;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 14 mei 2014 ongegrond;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.940,-;
  • - bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal €160,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) W. de Braal



IvR