Centrale Raad van Beroep, 11-06-2015 / 14-1761 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1845

Inhoudsindicatie
Ontslag. Gelet op het ingrijpende karakter van het ontslag dat wordt verleend op grond van een fictieve aanvraag als bedoeld in artikel 34e, eerste lid, van het ARAR en de strekking van het beleid om de ambtenaar daartegen bescherming te bieden, is voor een extensieve interpretatie geen plaats.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-11
Publicatiedatum
2015-06-16
Zaaknummer
14-1761 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
Uitspraak

14/1761 AW

Datum uitspraak: 11 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

19 februari 2014, 12/9244 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. I.L. Gerrits, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Betrokkene heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.E. Wieringa-van Rees en drs. H.P. Barnard. Voor betrokkene is mr. Gerrits verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.


1.1.

Betrokkene was werkzaam voor appellant, laatstelijk als [naam functie A] bij de [naam afdeling A] ([afdeling A]). Van 1 september 2008 tot 1 juli 2011 is zij met toepassing van artikel 58, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) gedetacheerd bij de [naam organisatie] ([organisatie]) te Genève. Gedurende deze periode is haar met toepassing van artikel 34 van het ARAR in het belang van de dienst langdurig buitengewoon verlof verleend, zonder behoud van bezoldiging. Na afloop van het haar verleende buitengewoon verlof heeft zij de dienst niet hervat. Appellant heeft de bezoldiging per die datum stopgezet. Betrokkene heeft op 22 augustus 2011 de directeur van [afdeling A], drs. B, per e-mail bericht dat zij zich op 17 augustus 2011 in een brief aan hem heeft ziek gemeld.


1.2.

Bij besluit van 27 december 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 september 2012 (bestreden besluit), heeft appellant betrokkene meegedeeld dat zij in strijd met haar verplichtingen haar dienst niet heeft hervat na afloop van het haar verleende verlof van lange duur op 1 juli 2011, dat zij daarvoor geen geldige reden heeft aangevoerd en dat zij daarom op grond van artikel 34e, eerste lid, van het ARAR geacht wordt een aanvraag tot ontslag te hebben ingediend. Appellant heeft besloten om de aanvraag in te willigen en betrokkene met toepassing van artikel 94, eerste en tweede lid, van het ARAR ontslag te verlenen met ingang van 1 juli 2011.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat:

zij niet het standpunt van betrokkene volgt dat artikel 34e van het ARAR alleen van toepassing is op ambtenaren die hun dienst niet hervatten na afloop van het buitengewoon verlof en in het geheel niet bereikbaar zijn;

appellant bij herhaling heeft benadrukt dat betrokkene per 1 juli 2011 diende terug te keren binnen de organisatie, dat zij werkzaamheden zou moeten verrichten waarbij zij is gewezen op functies, en dat betrokkene, zou daarvan sprake zijn, verlof diende aan te vragen;

aan betrokkene geen verlof is verleend per 1 juli 2011 en dat bovendien niet is gebleken van een appellant op dit punt bindende toezegging;

niet valt uit te sluiten dat betrokkene per 1 juli 2011, de datum waarop zij geacht werd weer binnen de organisatie van appellant werkzaam te zijn, daadwerkelijk ziek was, dat niet gebleken is dat appellant dat heeft onderzocht en dat daarom het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen, althans dat sprake is van een motiveringsgebrek;

appellant heeft gehandeld in strijd met punt 11 van de circulaire Buitengewoon verlof in verband met het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties van 6 augustus 2010, kenmerk 2010-0000524982 (circulaire), doordat hij betrokkene niet heeft gewaarschuwd dat ontslag zal worden verleend indien zij volhardt in het niet terugkeren van verlof.


Gelet op die overwegingen heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 27 december 2011 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.


3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft de in 2 onder d) en e) weergegeven oordelen van de rechtbank bestreden. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op 1 juli 2011 daadwerkelijk ziek was. Appellant heeft verder aangevoerd dat hij betrokkene voldoende heeft gewaarschuwd, danwel dat betrokkene zich voldoende heeft kunnen realiseren, wat de gevolgen kunnen zijn van het volharden in het niet terugkeren van verlof. Hij heeft in dat verband gewezen op een gesprek tussen de plaatsvervangend directeur van [afdeling A], drs. C, en betrokkene op 7 augustus (lees: juli) 2011, op een door B aan betrokkene verzonden

e-mailbericht van 10 augustus 2011 en op een brief van B aan betrokkene van 24 november 2011. Verder heeft appellant benadrukt dat de circulaire geen eisen stelt aan de vorm van de waarschuwing.


3.2.

In haar verweerschrift heeft betrokkene aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de verklaring van de medische dienst van de [organisatie] van 15 juli 2013 in de beoordeling heeft betrokken. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat zij per 1 juli 2011 wegens ziekte ongeschikt was de dienst te hervatten en dat een waarschuwing als bedoeld onder punt 11 van de circulaire ten onrechte achterwege is gebleven. Verder bestrijdt betrokkene de door de rechtbank in 2 onder a) en c) weergegeven oordelen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Betrokkene heeft daags voor de zitting en dus na aanvang van de termijn van tien dagen als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), enkele stukken ingediend. Zij heeft de Raad verzocht deze stukken niet te delen met appellant omdat er ook medische gegevens van haar in staan en, indien doorsturen toch noodzakelijk wordt geacht, te bepalen dat kennisneming is voorbehouden aan een arts of advocaat. Ter zitting van de Raad heeft appellant desgevraagd te kennen gegeven zich ertegen te verzetten dat deze stukken in de beoordeling worden betrokken. De Raad is van oordeel dat deze stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moeten blijven. In verband hiermee heeft de Raad de betreffende stukken niet aan de gedingstukken toegevoegd en die stukken laten terugzenden naar betrokkene.


4.2.

Betrokkene heeft geen hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak ingesteld. Zij heeft daartegen evenmin incidenteel hoger beroep ingesteld, ofschoon zij daartoe in de gelegenheid is gesteld. Dat betekent dat wat betrokkene heeft aangevoerd ter bestrijding van de door de rechtbank in 2 onder a) en c) weergegeven oordelen buiten bespreking moet blijven.


4.3.1.

In artikel 34e, eerste lid, van het ARAR is bepaald dat de ambtenaar, die na afloop van een hem verleend buitengewoon verlof van lange duur en zonder dat is verlengd, zijn dienst niet tijdig hervat, voor de toepassing van dit reglement geacht wordt een aanvraag tot ontslag te hebben ingediend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is het eerste lid niet van toepassing indien de ambtenaar binnen een redelijke termijn ten genoegen van Onze Minister aannemelijk maakt dat hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten, in welk geval het verlof geacht wordt te zijn verlengd tot het tijdstip, waarop bedoelde geldige redenen hebben opgehouden te bestaan.


4.3.2.

De minister voert in geval van buitengewoon verlof van een ambtenaar binnen zijn gezagsbereik in verband met het vervullen van een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie het in de circulaire verwoorde beleid. In punt 11 van de circulaire is vermeld dat het in de rede ligt artikel 34e van het ARAR pas toe te passen nadat de ambtenaar is gewaarschuwd dat ontslag zal worden verleend indien hij volhardt in het niet terugkeren van het verlof.


4.4.

Appellant heeft er terecht op gewezen dat punt 11 van de circulaire geen eisen stelt aan de vorm van de aldaar bedoelde waarschuwing. Punt 11 van de circulaire stelt echter wel eisen aan de inhoud van de waarschuwing. Het moet gaan om een waarschuwing dat ontslag zal worden verleend indien de ambtenaar volhardt in het niet terugkeren van het verlof. Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft hij een waarschuwing met een dergelijke inhoud niet aan betrokkene gegeven. Uit het verslag van het op 7 juli 2011 gehouden gesprek tussen C en betrokkene komt naar voren dat C betrokkene heeft gewezen op de mogelijke gevolgen van het weigeren van een passende functie en van het zonder toestemming met onbezoldigd verlof gaan na buitengewoon verlof. Op welke mogelijke gevolgen betrokkene is gewezen, komt in het verslag niet naar voren. In het e-mailbericht van 10 augustus 2011 maakt B betrokkene duidelijk dat de mogelijke gevolgen van het zonder toestemming vooraf opnemen van verlof aan de orde zullen komen in een op 11 augustus 2011 gepland gesprek. Dit gesprek op

11 augustus 2011 heeft niet plaatsgevonden. In de brief van 24 november 2011 deelt B betrokkene mee dat hij zich op het standpunt stelt dat betrokkene in strijd met haar verplichtingen haar dienst niet heeft hervat na afloop van het haar verleende buitengewoon verlof en dat zij daardoor volgens artikel 34e, eerste lid, van het ARAR geacht wordt een aanvraag tot ontslag te hebben ingediend en dat betrokkene tot nog toe geen redenen als bedoeld in het tweede lid, van dat artikel heeft aangevoerd. B stelt betrokkene in de gelegenheid om hem alsnog een afdoende verklaring voor haar nalaten om de werkzaamheden te hervatten te verschaffen en nodigt haar daartoe uit voor een gesprek op 9 (lees:8) december 2011. Ook in deze brief, die appellant in zijn beroepschrift omschrijft als een uitnodiging aan betrokkene om haar zienswijze te geven op het voorgenomen ontslag, wordt betrokkene niet expliciet gewaarschuwd dat ontslag zal worden verleend indien zij volhardt in het niet terugkeren van het verlof. Voor het gesprek op 8 december 2011 heeft betrokkene zich overigens bij brief van 7 december 2011 afgemeld op de grond dat zij nog niet hersteld is. Onder verwijzing naar haar ziekmelding acht zij het onbegrijpelijk dat B aanneemt dat zij een verzoek om ontslag heeft ingediend.


4.5.

Voor zover appellant heeft aangevoerd dat de situatie dat betrokkene zich voldoende heeft kunnen realiseren wat de gevolgen kunnen zijn van het volharden in het niet terugkeren van verlof, op één lijn moet worden gesteld met een waarschuwing als bedoeld in punt 11 van de circulaire, wordt hij niet gevolgd. Gelet op het ingrijpende karakter van het ontslag dat wordt verleend op grond van een fictieve aanvraag als bedoeld in artikel 34e, eerste lid, van het ARAR en de strekking van het beleid om de ambtenaar daartegen bescherming te bieden, is voor een dergelijke extensieve interpretatie geen plaats.


4.6.

Ter zitting van de Raad heeft appellant nog naar voren gebracht dat in het geval van betrokkene een keiharde waarschuwing niet nodig was. Men is er altijd van uitgegaan dat betrokkene de dienst zou hervatten, de verhoudingen zijn tot 1 juli 2011 steeds goed geweest en hoe het allemaal sindsdien gelopen is heeft veel verbazing opgeroepen. Anders dan appellant heeft aangevoerd kunnen deze omstandigheden niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant ten nadele van betrokkene van het in punt 11 van de circulaire vastgelegde beleid had mogen afwijken.


4.7.

Gelet op wat onder 4.3.1 tot en met 4.6 is overwogen is het oordeel van de rechtbank dat appellant heeft gehandeld in strijd met punt 11 van de circulaire juist. Nu reeds dit oordeel van de rechtbank haar beslissing kan dragen, behoeft wat appellant voor het overige tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd en wat betrokkene daartegen heeft ingebracht geen bespreking. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 493,- wordt geheven;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 980,-.



Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2015.




(getekend) K.J. Kraan




(getekend) W. de Braal




HD