Centrale Raad van Beroep, 22-05-2015 / 13-5811 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:1851

Inhoudsindicatie
Korting op AOW-pensioen en toeslag. Uitsluiting van de verplichte verzekering voor de AOW. Deze kortingen vinden hun grond in het feit dat appellant werkzaam is geweest voor het ICTY, en voor het SCSL in samenhang met de betreffende zetelovereenkomsten. Door de Hoge Raad is - kort gezegd - geoordeeld dat artikel XXVII van de ICTY-Zetelovereenkomst dwingt tot uitsluiting van de verplichte verzekering van de in die bepaling genoemde personen, dat dit ook geldt indien deze personen geen vergelijkbare rechten kunnen ontlenen aan regelingen van de VN en dat de uitsluiting van de verzekering niet in strijd is met het discriminatieverbod of artikel 1 van het Eerste Protocol. Geen “verdacht” onderscheid als genoemd in artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-22
Publicatiedatum
2015-06-16
Zaaknummer
13-5811 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie

Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

13/5811 AOW

Datum uitspraak: 22 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

25 september 2013, 12/10383 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft C.E. Zandvliet hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn de gronden van het beroep aangevuld en zijn nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door Zandvliet. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

K. van Ingen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, geboren [in] 1945, heeft op 27 juli 2009 een aanvraag ingediend voor een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Desgevraagd heeft appellant vermeld dat hij van december 1995 tot 16 april 2007 werkzaam is geweest als chauffeur in dienst van het International Tribunal for the Former Yugoslavia (ICTY) en vanaf 16 april 2007 in dezelfde functie in dienst was van het Special Court of Sierra Leone (SCSL).


1.2.

Bij besluit van 16 april 2010 is aan appellant per 1 januari 2010 een pensioen annex toeslag ingevolge de AOW toegekend. Er is een korting toegepast van 38% op het

AOW-pensioen zelf en van 28% op de toeslag. Appellant is niet verzekerd geacht van

[in] 1960 tot en met 17 januari 1965 en van 12 december 1995 tot en met

27 januari 2010. Zijn echtgenote, [naam echtgenote], is in laatstgenoemde periode niet verzekerd geacht.


2.1.

In bezwaar heeft appellant de uitsluiting van de verzekering wat hem zelf betreft bestreden ten aanzien van het tijdvak van 16 april 2007 tot en met 27 januari 2010 (de tijd dat hij werkzaam was bij het SCSL). Wat betreft de toeslag wordt de uitsluiting van de verzekering van zijn echtgenote bestreden voor de periode van 12 december 1995 tot en met 27 januari 2010.


2.2.

Bij besluit van 5 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard.


3.1.

In beroep heeft appellant aangevoerd dat het SCSL zelf geen pensioenvoorziening kent en zich niet heeft aangesloten bij het pensioenfonds van de Verenigde Naties (VN). Van een mutatis mutandis toepassing van artikel XXVII, eerste lid, van de Zetelovereenkomst inzake het ICTY op een werknemer van het SCSL kan dan ook geen sprake zijn. Daaraan wordt toegevoegd dat Nederland geen verdragsrechtelijke verplichting is aangegaan onder de

ICTY- en SCSL-Zetelovereenkomsten om appellant uit te sluiten van de verzekering voor de AOW in de hier aan de orde zijnde periode. Appellant dient dan ook als verzekerd onder de AOW te worden aangemerkt. Over de korting op de toeslag wordt opgemerkt dat nu een gezinslid van een ICTY-werknemer nimmer een “participant” is bij het VN-pensioenfonds, de toepassing van artikel XXVII, tweede lid, van ICTY-Zetelovereenkomst jegens gezinsleden van ICTY-werknemers strikt genomen niet mogelijk is. Daaraan wordt toegevoegd dat de uitsluiting van de verzekering van de echtgenote van appellant in strijd is met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) juncto artikel 1 van het Eerste Protocol (Eerste Protocol)en met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR). Verwezen wordt naar het arrest Wessels-Bergervoet van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 juni 2002 (EHRC 2002/60). Voor de periode vanaf 16 april 2007 wordt (tevens) verwezen naar het hiervoor weergegeven betoog betreffende de uitsluiting van de verzekering van appellant zelf.


3.2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.


4.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn eerder aangevoerde gronden in essentie herhaald.


4.2.

Hangende het hoger beroep heeft de Hoge Raad bij arrest van 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:284, uitspraak gedaan in een zaak betreffende de uitsluiting van de verplichte verzekering voor de AOW van de inwonende dochter van een moeder die werkzaam is geweest bij het International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR) en het ICTY. Bij deze uitspraak is bevestigd de uitspraak van de Raad van 13 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3783. Door de Hoge Raad is - kort gezegd - geoordeeld dat artikel XXVII van de ICTY-Zetelovereenkomst dwingt tot uitsluiting van de verplichte verzekering van de in die bepaling genoemde personen, dat dit ook geldt indien deze personen geen vergelijkbare rechten kunnen ontlenen aan regelingen van de VN en dat de uitsluiting van de verzekering niet in strijd is met het discriminatieverbod of artikel 1 van het Eerste Protocol.


4.3.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant aan de hiervoor genoemde gronden toegevoegd dat, indien wel sprake is van een verdragsrechtelijke uitsluiting van de AOW-verzekering van appellant én zijn echtgenote, toepassing hiervan een schending oplevert van artikel 1 van het Eerste Protocol. Wat de echtgenote van appellant betreft dient de uitsluiting geen legitiem doel. Voor appellant én zijn echtgenote geldt dat de uitsluiting niet voorzien is “bij wet” en een individuele en buitensporige last legt op appellant en zijn echtgenote, nu zij voor deze perioden geen enkele dekking hebben voor de risico’s van ouderdom.


4.4.

In dit geding is in geschil of de rechtbank met recht het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard, waarbij aan appellant een AOW-pensioen met een korting van 38% en een toeslag met een korting van 28% is toegekend. Deze kortingen vinden hun grond in het feit dat appellant vanaf 12 december 1995 werkzaam is geweest voor het ICTY, en vanaf 16 april 2007 voor het SCSL in samenhang met de betreffende zetelovereenkomsten.


4.5.

Ten aanzien van de korting op de AOW-uitkering van appellant gaat het daarbij om de periode dat appellant werkzaam was bij het SCSL. Namens appellant is primair aangevoerd dat van een mutatis mutandis toepassing van artikel XXVII, eerste lid, van de

ICTY-Zetelovereenkomst geen sprake kan zijn, nu de ICTY-Zetelovereenkomst, de SCSL niet is aangesloten bij het pensioenfonds van de VN. Daaraan is toegevoegd dat de hier aan de orde zijnde zetelovereenkomsten Nederland niet dwingen om appellant uit te sluiten van de verzekering voor de AOW. Deze gronden slagen niet. Zoals hiervoor reeds kort is aangeduid heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 14 februari 2014 geoordeeld dat, gelet op de bewoordingen van artikel XXVII van de ICTY-Zetelovereenkomst, de in die bepaling genoemde personen in alle opzichten zijn uitgesloten van de verplichte sociale verzekeringen in Nederland. Dat geldt ook indien deze personen geen (vergelijkbare) rechten kunnen ontlenen aan regelingen van de VN. In het arrest van de Hoge Raad ging het om de inwonende dochter van een werknemer, maar naar het oordeel van de Raad geldt hetzelfde voor een geval als dit, dat betrekking heeft op werknemers bij het SCSL op wie de

ICTY-Zetelovereenkomst van overeenkomstige toepassing is verklaard, maar die geen rechten kunnen ontlenen aan een regeling van de VN. Het beroep dat namens appellant is gedaan op artikel 1 EP faalt. Artikel 1 van het Eerste Protocol ziet op de bescherming van bestaande rechten dan wel van “legitimate expectations”. Appellant is op grond van de zetelovereenkomsten, kenbaar voor zijn indiensttreding bij het SCSL, van de verzekering op de AOW uitgesloten. Van een bestaand recht dan wel een “legitimate expectation” in de zin van artikel 1 Eerste Protocol is geen sprake. De uitsluiting van de verzekering voor de AOW kan dan ook niet aan deze bepaling worden getoetst. De uitsluiting van appellant voor de periode van 16 april 2007 tot en met 27 januari 2010 houdt dan ook in rechte stand.


4.6.

Wat betreft de uitsluiting van de echtgenote van appellant van de verzekering voor de AOW dient voorop te staan dat, als hiervoor vermeld, de ICTY- Zetelovereenkomst dwingt tot uitsluiting van de verplichte verzekering, ook indien inwonende gezinsleden als de echtgenote van appellant geen (vergelijkbare) rechten kunnen ontlenen aan regelingen van de VN. Het voorgaande geldt eveneens voor de toepassing van de SCSL-Zetelovereenkomst, waarin de ICTY-Zetelovereenkomst van overeenkomstige toepassing is verklaard. Wat betreft het beroep dat namens appellant is gedaan op het discriminatieverbod oordeelt de Raad als volgt. De Raad stelt voorop dat het hier geen “verdacht” onderscheid betreft als genoemd in artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR. Daarenboven gaat het hier om een wettelijke regeling op het terrein van de sociale verzekering, wat meebrengt dat aan de Staat een ruime “margin of appreciaton” toekomt. Ter toetsing staat dan of de verdragswetgever in redelijkheid tot de in geding zijnde regelingen heeft kunnen komen en of toepassing ervan in dit geval niet van redelijke grond is ontbloot. Naar het oordeel van de Raad is dat het geval. Verwezen wordt naar de overwegingen in 5.2 van de uitspraak van de Raad van

13 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3783, alsmede naar het hiervoor reeds aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2014. In dat arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat, naar moet worden aangenomen, de regeling op grond waarvan niet alleen de medewerkers van het ICTY en het ICTR maar ook hun inwonende gezinsleden zonder eigen arbeidsinkomsten in Nederland zijn vrijgesteld van de verplichting tot betaling van sociale verzekeringspremies, in de betrokken zetelovereenkomsten is opgenomen met het oog op de onafhankelijkheid van de betrokken medewerkers ten opzichte van de autoriteiten van het gastland in het belang van de goede taakuitoefening door het tribunaal. Van een dergelijke regeling op het gebied van de heffing van premies kan niet worden gezegd dat deze van redelijke grond is ontbloot. Als consequentie van een vrijstelling van premieheffing is in deze zetelovereenkomsten aanvaard dat de medewerkers en de betrokken gezinsleden tevens zijn uitgezonderd van de verplichte verzekering en daarmee van het recht op uitkeringen op grond van de Nederlandse sociale verzekeringen. Met deze koppeling wordt vermeden dat rechten op uitkeringen worden opgebouwd zonder mogelijkheid voor de Nederlandse overheid om daartegenover een financiële bijdrage van de betrokkene te verkrijgen in de vorm van premiebetaling. Ook van deze koppeling kan niet worden gezegd dat zij van redelijke grond is ontbloot. De aangevoerde grond slaagt dan ook niet voor zover wordt betoogd dat bij de korting op de toeslag sprake is van discriminatie. Ten slotte wordt opgemerkt dat ook het beroep dat appellant heeft gedaan op artikel 1 van het Eerste Protocol, zoals hiervoor reeds is uiteengezet, niet tot het door appellant beoogde resultaat kan leiden.


4.7.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2015.





(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) J.R. van Ravenstein



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde in de Algemene Ouderdomswet.



HD