Centrale Raad van Beroep, 10-06-2015 / 14-3775 WSF


ECLI:NL:CRVB:2015:1862

Inhoudsindicatie
Herziening studiefinanciering van de norm van uitwonende studerende naar de norm van thuiswonende studerende. Terugvordering. Niet woonachtig op GBA-adres.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-10
Publicatiedatum
2015-06-18
Zaaknummer
14-3775 WSF
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3775 WSF

Datum uitspraak: 10 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

28 mei 2014, 13/5859 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant], te [woonplaats] (appellant)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Wortel hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wortel. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant heeft bij besluit van 22 oktober 2011 met ingang van 1 januari 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend gekregen berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Bij besluit van

20 oktober 2012 heeft de minister deze toekenning voor het jaar 2013 voortgezet.


1.2.

Op 13 mei 2013 hebben twee controleurs in opdracht van de minister een huisbezoek afgelegd op het adres waarop appellant op dat moment in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) was ingeschreven om te controleren of hij op dit adres woonachtig is. Een broer van appellant is op dit adres als hoofdbewoner geregistreerd. Van het huisbezoek is op 15 mei 2013 een rapport opgemaakt.


1.3.

De minister heeft op basis van het onder 1.2 genoemde rapport de aanvankelijk over de periode januari 2012 tot en met juni 2013 aan appellant toegekende studiefinanciering bij besluit van 29 juni 2013 herzien, in die zin dat appellant vanaf 1 januari 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het over deze periode aan appellant te veel betaalde bedrag van € 3.456,48 is daarbij van hem teruggevorderd.


1.4.

De minister heeft het tegen het besluit van 29 juni 2013 door appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 2 oktober 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is gesteld dat uit het door de controleurs opgemaakte rapport is gebleken dat appellant niet woont op zijn GBA-adres.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Daartoe is overwogen dat uit het rapport valt af te leiden dat er op het GBA-adres geen tekenen zijn aangetroffen waaruit volgt dat appellant op het GBA-adres woont. Onder die omstandigheid heeft de minister in beginsel voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant niet voldoet aan de eisen als bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000, totdat appellant tegenbewijs levert. Appellant heeft een aantal verklaringen gegeven waarom er geen post, geen duurzame goederen, geen toiletspullen en geen andere tot zijn persoon herleidbare spullen zijn aangetroffen op het GBA-adres, maar dat is als zodanig nog geen tegenbewijs. Met het afschrift van de pakbon waaruit volgt dat schoolartikelen van appellant op het GBA-adres zijn bezorgd, heeft hij weliswaar aangetoond dat hij het GBA-adres als postadres gebruikt, maar dat bewijst nog niet dat hij daar ook woont. De verklaringen van zijn twee broers ter zitting samen met de omstandigheid dat de hoofdbewoner tijdens het huisbezoek heeft verklaard dat appellant op 13 mei 2013 terugkeert van vakantie en appellant in beroep heeft aangetoond dat hij inderdaad tot 13 mei 2013 met vakantie was, zijn tezamen wel aan te merken als tegenbewijs, maar daaraan komt onvoldoende bewijswaarde toe om in twijfel te trekken wat uit het rapport volgt. Het tegenbewijs levert wel een adequate verklaring voor de afwezigheid van sommige artikelen in de woning, maar dat bewijst nog niet dat appellant op het GBA-adres woont. Zoals de minister naar het oordeel van de rechtbank terecht heeft betoogd, is het niet aannemelijk dat er geen enkel spoor van de aanwezigheid van appellant in de woning is te vinden als hij twee jaar op het GBA-adres heeft gewoond.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de minister met het rapport niet op basis van een grondig onderzoek aannemelijk heeft gemaakt dat appellant niet woonde op zijn GBA-adres. De beantwoording van de vragen in het rapport is summier. Dat appellant niet op zijn GBA-adres is aangetroffen komt omdat hij met vakantie was; dat appellant met vakantie was wordt door de minister ook niet weersproken. Door die vakantie waren geen verzorgingsspullen aanwezig en kon er weinig kleding worden getoond. Anders dan in het rapport is vermeld behoeft de vraag of appellant een sleutel van het huis heeft geen toelichting, nu uit dat rapport niet volgt dat de controleurs twijfelen aan de mededeling van de hoofdbewoner dat appellant over een sleutel beschikt. De kamer van appellant is aan de controleurs getoond. Dat er in deze kamer ook werd gestreken, betekent niet dat het niet de kamer van appellant zou kunnen zijn. Appellant ontving ook post op zijn GBA-adres. De door de controleurs getrokken conclusies worden niet of nauwelijks onderbouwd. Appellant heeft bewijs geleverd van zijn bewoning van het GBA-adres. De foutieve conclusies in het rapport en de (tegen)bewijzen, in onderling verband bezien maken dat de rechtbank niet te volgen is in haar conclusie dat appellant het rapport onvoldoende in twijfel zou hebben getrokken.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.1.

In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidt met ingang van

10 december 2011, wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5. Voorts is in dit artikel bepaald dat onder studiefinancieringstijdvak wordt verstaan een kalenderjaar of een gedeelte daarvan waarop de toekenning van studiefinanciering betrekking heeft, met dien verstande dat deze periode ten minste één kalendermaand is.


4.1.2.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de gemeentelijke basisadministratie staat of staan ingeschreven.


4.2.

Waar iemand woont moet worden beoordeeld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.


4.3.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister uit het op 15 mei 2013 van het huisbezoek opgemaakte rapport heeft kunnen afleiden dat appellant ten tijde van dat huisbezoek niet op zijn GBA-adres woonde en dat daarmee aannemelijk is gemaakt dat appellant niet voldeed aan de in artikel 1.5 van de Wsf 2000 neergelegde verplichtingen om als uitwonende studerende te kunnen worden aangemerkt.


4.3.2.

Wat in hoger beroep is aangevoerd kan aan dat oordeel niet afdoen. Niet is gebleken dat het onderzoek op 13 mei 2013 onzorgvuldig is geweest of dat de uit de resultaten van dat onderzoek getrokken conclusies onjuist zijn. Dat het rapport (betrekkelijk) summier is, maakt dat niet anders. De verklaring die appellant heeft gegeven voor de afwezigheid van aan hem toebehorende spullen op het GBA-adres is onvoldoende om daaruit de conclusie te trekken dat aannemelijk is dat hij wel op dat adres woont. Ook aan de verklaring van de hoofdbewoner dat appellant van de woning een sleutel heeft, kan in dit verband niet de betekenis worden gehecht die appellant daaraan hecht.


4.4.1.

De rechtbank heeft eveneens terecht geoordeeld dat het bij de gegeven onderzoeksresultaten aan appellant was om voldoende tegenbewijs te leveren. Het oordeel dat appellant er niet in is geslaagd voldoende bewijs te leveren is, anders dan appellant meent, door de rechtbank voldoende gemotiveerd.


4.4.2.

Met de combinatie van de overgelegde stukken, de door de hoofdbewoner en de andere broer van appellant ter zitting van de rechtbank afgelegde verklaringen en de ter zitting bij de Raad gegeven verklaring voor de afwezigheid van persoonlijke spullen, zijn de conclusies uit de rapportage niet zodanig aangetast dat zou moeten worden geoordeeld dat niet (langer) aannemelijk is dat appellant niet op zijn GBA-adres woonde. Ter zitting van de Raad heeft appellant nog verklaard dat hij over weinig financiële middelen en daarom over weinig spullen beschikt. Deze omstandigheid vormt naar het oordeel van de Raad geen geloofwaardige verklaring voor het totale gemis van tot appellant herleidbare spullen op het GBA-adres.


4.5.

Uit wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover deze is aangevochten.


5. Nu de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en M.F. Wagner en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2015.




(getekend) H.J. de Mooij




(getekend) J.C. Hoogendoorn





NK