Centrale Raad van Beroep, 27-05-2015 / 13-3130 WWAJ


ECLI:NL:CRVB:2015:1866

Inhoudsindicatie
Weigering Wajong-uitkering. Geen medische stukken voorhanden die het standpunt van appellante dat zij op haar zeventien-achttiende jaar volledig arbeidsongeschikt was, onderbouwen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-27
Publicatiedatum
2015-06-18
Zaaknummer
13-3130 WWAJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3130 WWAJ

Datum uitspraak: 27 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 mei 2013, 12/6334 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Klootwijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. S.E.C. Segeren. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante, geboren [in] 1979, heeft op 6 januari 2009 een aanvraag ingediend op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) wegens manische depressiviteit. De aanvraag is niet verder in behandeling genomen omdat er - ondanks verzoek daartoe - onvoldoende en onvolledige gegevens zijn verstrekt.


1.2.

Op 30 december 2010 heeft appellante een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 12 januari 2011 afgewezen, omdat appellante op haar zeventiende verjaardag niet in Nederland woonde. Het bezwaar hiertegen is bij besluit van 5 april 2011 gegrond verklaard en de aanvraag is weer in behandeling genomen. Op 9 augustus 2011 heeft het Uwv de behandeling van de aanvraag is gestopt omdat appellante tot tweemaal toe niet is verschenen op het spreekuur van de verzekeringsarts.


1.3.

Op 7 april 2012 heeft appellante opnieuw een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet Wajong. Bij besluit van 23 mei 2012 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een uitkering toe te kennen.


1.4.

Bij besluit van 29 oktober 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van

23 mei 2012 ongegrond verklaard, omdat niet kan worden aangetoond dat appellante vanaf haar zeventiende verjaardag gedurende 52 weken ononderbroken dusdanig functioneel beperkt was door ziekte of gebrek dat zij daardoor niet kon werken of niet in staat was om ten minste 75% van het maatmaninkomen te verdienen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe is - samengevat - overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsartsen hebben op goede gronden aan kunnen nemen dat appellante op haar zeventiende niet zodanig functioneel was beperkt door ziekte of gebrek dat zij daardoor niet kon werken of niet in staat was om ten minste 75% van het maatmaninkomen te verdienen. Daartoe overweegt de rechtbank dat - zoals de verzekeringsartsen ook al hebben aangegeven - over de periode dat appellante zeventien -achttien jaar oud was, een brief van de destijds in Tunesië behandelend psychiater

dr. C. Besbes is overgelegd. Deze psychiater spreekt over een opname in 1996. Niet is aangegeven hoe lang de opname heeft geduurd. Verder spreekt de psychiater over verbetering na de opname. Andere medische gegevens die betrekking hebben op de situatie toen appellante zeventien-achttien jaar oud was, zijn niet ingediend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht opgemerkt dat het ingebrachte dossier van de GGZ de medische situatie van appellante vanaf 2006 betreft. Deze informatie kan daarom niet bijdragen aan de beoordeling van de medische situatie over de periode hier in geding. Appellante heeft verder geen medische informatie overgelegd welke tot een ander oordeel zou moeten leiden.


3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat ze in 1996 ziek is geworden en dat de diagnose manische depressie, bipolaire stoornis II is vastgesteld. Ze is toen opgenomen geweest en ook later in 1998, 2001 en 2004. Ze is sinds 1996 onder behandeling van een psychiater. Haar moeder lijdt ook aan manische depressiviteit en haar vader was langdurig ziek. Na zijn overlijden in 1995 is het snel bergafwaarts gegaan met appellante. De manische depressie en bipolaire stoornis II heeft zich sinds haar zeventiende jaar geuit in diverse klachten: paniek-, angst- en woedeaanvallen, geheugen/concentratieverlies, handtrillingen en sociale angst. Haar psychische gesteldheid kent hoge pieken en diepe dalen. Ze is genoodzaakt dagelijks medicijnen in te nemen. Verbeteringen hebben niet plaatsgevonden en zijn ook niet te verwachten. Appellante volgde vanaf 1992 onderwijs aan de Mavo, maar is in maart 1996 noodgedwongen gestopt. Ze is diverse malen opgenomen geweest. Werkzaamheden kon ze maar heel kort volhouden en op haar achttiende jaar was ze vanwege haar psychische klachten volledig arbeidsongeschikt. Bij schrijven van 20 juni 2013 heeft appellante brieven van I-Psy van 19 juli en 20 juli 2012 en van 21 maart 2013 ingestuurd.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1.

In de uitspraak van de Raad van 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111, heeft de Raad aanleiding gezien om met betrekking tot aanvragen om toekenning van een uitkering op grond van de Wet Wajong die zijn ingediend na 1 januari 2010 door personen die geboren zijn voor 1 januari 1980, wat betreft het toepasselijke recht, anders te oordelen dan de Raad heeft gedaan in zijn uitspraak van 9 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1600. Omdat appellante is geboren in 1979 dient, hoewel zij haar aanvraag na 1 januari 2010 heeft ingediend, de beoordeling van haar aanspraken plaats te vinden aan de hand van het bepaalde in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).


4.2.1.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid, die voor zijn krachten en bekwaamheden is berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of op een naburige soortgelijke plaats, te verdienen, hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen, van dezelfde soort en soortgelijke opleiding, op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen.


4.2.2.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.


4.3.

De Raad verenigt zich met de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen medische stukken voorhanden zijn die het standpunt van appellante dat zij op haar zeventien-achtiende jaar volledig arbeidsongeschikt onderbouwen. Zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt is over de periode hier in geding en enkel een brief voorhanden van de destijds in Tunesië behandelend psychiater dr. C. Besbes. Hierin wordt weliswaar vermeld dat er een opname in 1996 heeft plaatsgevonden maar nadere informatie, zoals bijvoorbeeld de duur van de opname, ontbreekt. Verder spreekt de psychiater over verbetering na de opname. Appellante heeft haar standpunt in hoger beroep evenmin nader onderbouwd aan de hand van objectief-medische gegevens. De in hoger beroep ingebrachte stukken van I-Psy hebben immers geen betrekking op de datum en geding en kunnen dan ook niet tot een ander oordeel leiden.


4.4.

Uit wat onder 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt, zij het, gelet op wat onder 4.1 tot en met 4.2.2 is overwogen, met verbetering van gronden.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en E.W. Akkerman en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2015.



(getekend) H.G. Rottier




(getekend) K. de Jong



JL