Centrale Raad van Beroep, 21-01-2015 / 12-5969 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:187

Inhoudsindicatie
Terugvordering PGB omdat de besteding niet is verantwoord.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-21
Publicatiedatum
2015-01-29
Zaaknummer
12-5969 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AB 2015/209 met annotatie van Y.M. van der Vlugt
  • USZ 2015/98 met annotatie van J. Hallie
Uitspraak

12/5969 AWBZ

Datum uitspraak: 21 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

24 september 2012, 12/458 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant 2], de erve van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellant)

Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het Zorgkantoor heeft op verzoek van de Raad nadere informatie verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S. de Vaal. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.T.J.A. van Aalst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant was met [betrokkene] (echtgenote) gehuwd tot aan haar overlijden op 10 januari 2010.


1.2.

Bij besluit van 6 juni 2009 heeft het Zorgkantoor op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) aan de echtgenote over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 een (netto) persoonsgebonden budget (PGB) toegekend van € 11.230,89. De aan de verlening van het PGB verbonden verplichtingen heeft het Zorgkantoor bij dat besluit aan de echtgenote meegedeeld. Het gaat daarbij onder andere om verplichtingen die verband houden met de wijze waarop de besteding van het PGB moet worden verantwoord.


1.3.

Op 22 juni 2009 heeft het Zorgkantoor van de echtgenote een verantwoordingsformulier ontvangen over de periode van 1 januari 2009 tot en met 27 mei 2009 waarin wordt vermeld dat een bedrag van € 4.886,93 aan de zorgverlener is betaald.


1.4.

Bij besluit van 10 augustus 2009 heeft het Zorgkantoor het PGB per 31 juli 2009 beëindigd, omdat de echtgenote zorg in natura (ZIN) is gaan ontvangen. Bij dit besluit heeft het Zorgkantoor de echtgenote verzocht om binnen vier weken het verantwoordingsformulier PGB over de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 juli 2009 in te leveren en op te geven welk bedrag uit het PGB aan de zorgverlener is betaald.


1.5.

Bij brief van 2 december 2009 heeft het Zorgkantoor de echtgenote verzocht gegevens te verstrekken ter controle of het PGB op de juiste wijze is besteed. Samengevat gaat het daarbij om kopieën van met de zorgverlener afgesloten zorgovereenkomsten en kopieën van de declaraties van de zorgverlener met bijbehorende betalingsbewijzen.


1.6.

Bij besluit van 4 februari 2010 (primair besluit) heeft het Zorgkantoor de eindafrekening van het aan de echtgenote verleende PGB over de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 september 2009 opgemaakt. Het Zorgkantoor heeft vastgesteld dat een bedrag van € 8.208,69 is betaald, dat hiervan een bedrag van € 4.886,93 is verantwoord en dat een bedrag van € 186,99 verantwoordingsvrij is. Dit resulteert in een teveel betaald bedrag van € 3.134,77 dat wordt teruggevorderd omdat de besteding niet is verantwoord.


1.7.

Appellant heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Volgens hem is het de echtgenote niet toe te rekenen dat een deel van het PGB niet is verantwoord. De echtgenote heeft om het PGB verantwoord te krijgen, contact gezocht met de zorgverlener die tevens budgetbeheerder is. De zorgverlener heeft echter niet gereageerd en inmiddels is de echtgenote overleden. Appellant wijst erop dat zijn verstandelijke vermogens beperkt zijn. Appellant verzoekt de terugvordering achterwege te laten of alsnog in de gelegenheid te worden gesteld het PGB te verantwoorden.


1.8.

Appellant is door het Zorgkantoor alsnog in de gelegenheid gesteld de gevraagde gegevens in te leveren ter verantwoording van de besteding van het PGB.


1.9.

Bij brief van 23 december 2011 heeft appellant meegedeeld dat het niet mogelijk is meer gegevens te verstrekken dan die al in het bezit van het Zorgkantoor zijn. Appellant heeft het Zorgkantoor verzocht om, gelet op alle omstandigheden, af te zien van zijn bevoegdheid tot intrekking en terugvordering van het PGB. Hierbij heeft appellant aangevoerd dat hij geen voordeel heeft gehad van het PGB van de echtgenote. Verder wijst appellant erop dat de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) op hem van toepassing is en hij onder bewind is gesteld.


1.10.

Bij besluit van 22 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar ongegrond verklaard. Het Zorgkantoor heeft hieraan ten grondslag gelegd dat aan de verlening van het PGB verplichtingen zijn verbonden die betrekking hebben op de verantwoording van de besteding van het budget. De echtgenote heeft die besteding niet deugdelijk verantwoord of deugdelijk onderbouwd. De door appellant aangevoerde omstandigheden waaronder zijn beperkte verstandelijke vermogens, zijn schuldenpositie en het feit dat het om zorg voor wijlen zijn echtgenote ging, kunnen volgens het Zorgkantoor niet leiden tot aanpassing van het primaire besluit. Ook meent het Zorgkantoor dat met de individuele belangen van appellant voldoende rekening is gehouden, maar dat deze dienen te wijken voor het belang van het Zorgkantoor.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Uit de door het Zorgkantoor verstrekte nadere informatie blijkt dat de betalingen van de voorschotten voor het over 2009 aan de echtgenote verleende PGB op of omstreeks de volgende momenten plaatsvonden: 12 januari 2009, 3 april 2009, 12 juni 2009 en 3 juli 2009. In totaal heeft het Zorgkantoor daarbij een bedrag van € 8.208,69 betaald voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 september 2009. Hiervan had een bedrag van € 6.193,89 betrekking op de periode tot en met 31 juli 2009 en een bedrag van € 2.014,80 op de periode erna.


4.2.

De Raad begrijpt het bestreden besluit, zodat het vastgestelde PGB over de periode van

1 januari 2009 tot en met 31 juli 2009 is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat niet is voldaan aan de verplichting om de hele besteding van het PGB te verantwoorden en voor de periode van 31 juli 2009 tot en met 30 september 2009 op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb, omdat vanaf de beëindiging van het PGB de activiteiten niet meer hebben plaatsgevonden. De als gevolg van de lagere vaststelling van het PGB onverschuldigd betaalde voorschotten heeft het Zorgkantoor op grond van artikel 4:57 van de Awb teruggevorderd zoals deze bepaling, gelet op artikel III, tweede lid, van de Vierde Tranche Awb, luidde vóór 1 juli 2009.


4.3.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn belangen door de terugvordering zijn geschaad. Appellant heeft dit standpunt onderbouwd met gronden die betrekking hebben op zowel de lagere vaststelling als de terugvordering. Omdat het hier om een gecombineerd besluit gaat en een lager of minder laag vastgesteld PGB er vanzelf toe leidt dat er niet of minder wordt teruggevorderd, geven de gronden aanleiding om zowel de lagere vaststelling als de terugvordering te beoordelen. Gelet op de genoemde volgorde dienen de gronden die betrekking hebben op de lagere vaststelling eerst te worden beoordeeld.


4.4.

Niet in geschil is dat het Zorgkantoor in beginsel bevoegd was om tot de lagere vaststelling en terugvordering over te gaan. Het geschil spitst zich toe op de wijze waarop het Zorgkantoor van zijn bevoegdheid tot lagere vaststelling en terugvordering gebruikt heeft gemaakt.


4.5.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) dient het Zorgkantoor de discretionaire bevoegdheid om een PGB lager vast te stellen uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. Daarbij zal een afweging moeten worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger, waarbij tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang is. Appellant heeft gewezen op het feit dat de echtgenote aan alcohol was verslaafd en dat de zorgverlener, die ook het PGB beheerde, niet betrouwbaar bleek te zijn. Deze omstandigheden maken niet dat geoordeeld moet worden dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot de door hem gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. Voorop staat dat de verantwoording van de besteding van het PGB de eigen verantwoordelijkheid is van de verzekerde. Er is immers gekozen om de zorg in de vorm van een PGB geleverd te krijgen. De verplichtingen die daarbij horen zijn bekend en met de aanvaarding van het PGB is de verzekerde gehouden die verplichtingen na te komen. Dit uitgangspunt blijft ook overeind indien het beheer van het PGB aan een derde, in het onderhavige geval de zorgverlener, is uitbesteed. Als daardoor de besteding van het PGB niet kan worden verantwoord, komt dat voor rekening en risico van de verzekerde. Ook voor de alcoholverslaving geldt dat niet kan worden ingezien waarom de verzekerde in dat geval niet aan het nakomen van zijn verplichtingen kan worden gehouden. Van redenen waarom een dergelijk uitgangspunt in het onderhavige geval niet zou gelden, is de Raad niet gebleken.


4.6.

Het Zorgkantoor dient ook bij de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid tot terugvordering van onverschuldigd betaalde PGB-voorschotten rekening te houden met de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. Appellant heeft gewezen op de volgende omstandigheden. Vanwege een zeer laag IQ functioneert hij verstandelijk op een zeer laag niveau. Hij staat sinds december 2010 onder beschermingsbewind. Hij is na het overlijden van de echtgenote via een crisisopvangplaatsing in een beschermde AWBZ-woonvorm opgenomen en ontvangt sindsdien een uitkering ter hoogte van de zak- en kleedgeldnorm. Hij heeft een WSNP-traject doorlopen, waarna hem in september 2011 een schone lei is verleend. Het PGB kwam niet hem toe, maar de echtgenote. Door de terugvordering wordt hij opnieuw jarenlang met een terugvorderingstraject geconfronteerd en moet hij weer jarenlang onder het bestaansminimum leven. Deze omstandigheden maken niet dat geoordeeld moet worden dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot de gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. Voorop staat dat de schuldenaar de schulden dient te betalen (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr 3, blz. 13). Dit geldt ook voor de persoon die als rechtsopvolger van de schuldenaar een schuld onder algemene titel verkrijgt en daarmee de schuldenaar wordt. Niet is gebleken dat de terugvordering bij appellant tot onaanvaardbare psychische gevolgen leidt. Ook kunnen de genoemde financiële gevolgen niet als onaanvaardbaar worden aangemerkt. Hierbij is van belang dat het Zorgkantoor bij de inning of invordering van de geldschuld rekening moet houden met de bescherming van de beslagvrije voet. Verder is van belang dat appellant op grond van artikel 4:94 van de Awb bij het Zorgkantoor om uitstel van betaling kan vragen, welk uitstel zich, gelet op artikel 4:101 van de Awb, ook tot de rente kan uitstrekken.


4.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Het hoger beroep slaagt niet, de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2015.





(getekend) A.J. Schaap




(getekend) D. van Wijk



HD