Centrale Raad van Beroep, 01-05-2015 / 13-3599 WIA-T


ECLI:NL:CRVB:2015:1878

Inhoudsindicatie
Het Uwv is bij zijn standpuntbepaling (in overwegende mate) afgegaan op een deskundigenoordeel en een (civielrechtelijk) vonnis van de rechtbank. Eigen onderzoek door een verzekeringsarts en/of een arbeidsdeskundige heeft niet plaatsgevonden en daarmee heeft het Uwv niet voldaan aan de op hem rustende plicht tot het verrichten van eigen onderzoek zoals in vaste rechtspraak van de Raad is neergelegd. In het kader van definitieve beslechting van het geschil, krijgt het Uwv opdracht de gebreken in het bestreden besluit het herstellen dan wel een nieuwe bob te nemen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-01
Publicatiedatum
2015-06-17
Zaaknummer
13-3599 WIA-T
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/253 met annotatie van Red.
Uitspraak

13/3599 WIA-T

Datum uitspraak: 1 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

5 juni 2013, 12/9946 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[naam V.O.F.], gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M. Breevoort, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft [naam werknemer] (werknemer) te kennen gegeven niet als partij aan het geding te willen deelnemen. Werknemer heeft geen toestemming gegeven om zijn medische gegevens aan appellante ter kennis te brengen.

Het Uwv heeft desgevraagd een ontbrekend stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2015. Namens appellante is

verschenen mr. Breevoort. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN


1.1.

Werknemer is sinds 1998 bij (de rechtsvoorganger van) appellante in dienst als nachtreceptionist. Op 19 augustus 2010 is hij uitgevallen wegens cardiale klachten. Op

21 september 2010 heeft werknemer zich hersteld gemeld. Omdat appellante werknemer ongeschikt achtte voor zijn eigen werk, heeft werknemer het Uwv om een deskundigenoordeel verzocht. Naar aanleiding van dat verzoek heeft het Uwv een rapport deskundigenoordeel, gedateerd 15 februari 2011, uitgebracht, opgesteld door arbeidsdeskundige F.F.W. Scholte. In dit rapport is geconcludeerd dat werknemer op

27 december 2010 geschikt was te achten voor zijn eigen werk.


1.2.

Op 8 september 2011 is werknemer uitgevallen voor zijn werk ten gevolge van een verkeersongeval.


1.3.

Bij besluit van 19 juni 2012 heeft het Uwv werknemer met ingang van 16 augustus 2012, de datum gelegen 104 weken na de eerste uitval van werknemer op 19 augustus 2010, in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).


1.4.

Bij vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, van 3 juli 2012, rolnummer 1087179/11-21411, is geoordeeld dat het rapport deskundigenoordeel van 15 februari 2011 voldoende aanknopingspunten biedt om dit te volgen en is de door werknemer gevorderde verklaring voor recht, inhoudende dat hij in de periode van 27 december 2010 tot 8 september 2011 arbeidsgeschikt was voor zijn bedongen eigen werkzaamheden, toegewezen.1.5. Bij brief van 4 juli 2012 heeft werknemer het vonnis van 3 juli 2012 aan het Uwv toegezonden met de mededeling dat hij van 27 december 2010 tot 8 september 2011 volledig arbeidsgeschikt was, wat naar zijn mening betekent dat hij ter zake van zijn uitval op

8 september 2011 de wachttijd nog niet heeft doorlopen en hij aanspraak kan maken op ontvangst van ziekengeld (loondoorbetaling) van appellante.


1.6.

Bij besluit van 16 juli 2012 heeft het Uwv het besluit van 19 juni 2012 ingetrokken.

1.7.

Bij besluit van eveneens 16 juli 2012 heeft het Uwv beslist dat voor werknemer met ingang van 16 augustus 2012 alsnog geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat hij voor het einde van de wachttijd van 104 weken weer beter was. Ter motivering van het besluit heeft het Uwv verwezen naar het deskundigenoordeel van

15 februari 2011 alsmede naar het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 juli 2012.


1.8.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 juni 2012 en de besluiten van 16 juli 2012. Daarbij heeft appellante aangevoerd dat werknemer bij besluit van 19 juni 2012 voor een zogeheten IVA-uitkering in aanmerking had moeten worden gebracht, omdat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Appellante betwist voorts in het bijzonder dat werknemer van 27 december 2010 tot 8 september 2011 volledig geschikt is geweest voor het eigen werk, in verband waarmee appellante stelt te overwegen om tegen het vonnis van de rechtbank beroep in te stellen. Voorts heeft appellante benadrukt dat het Uwv een eigen onderzoeksplicht heeft.


1.9.

Bij besluit van 14 september 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv, voor zover in dit geding van belang, het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 16 juli 2012 (kennelijk) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij overwogen appellante slechts gedeeltelijk te kunnen volgen in haar opvatting dat hij een eigen onderzoeksplicht heeft. Daarbij is verwezen naar het rapport deskundigenoordeel en naar het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 juli 2012. Het Uwv heeft te kennen gegeven dat, gelet op het deskundigenoordeel en het vonnis van de rechtbank, daarbij nog mede in aanmerking genomen dat appellante ter onderbouwing van haar opvatting geen medische gegevens heeft ingebracht, geen aanleiding is gevonden om nog een eigen onderzoek in te stellen naar de juistheid van het oordeel dat werknemer op 27 december 2012 geschikt was te achten voor het eigen werk.


2. In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellante staande gehouden dat werknemer op en na 27 december 2010 nog ongeschikt was voor zijn arbeid en dat in verband hiermee op

16 augustus 2012 de wachttijd reeds is volgemaakt. Daartoe heeft zij (wederom) aangevoerd dat het Uwv een eigen onderzoeksplicht heeft en kan afwijken van de overwegingen en het oordeel van de rechtbank in het vonnis van 3 juli 2012. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt onder meer een in haar opdracht door arbeidsdeskundige S. van der Stede opgesteld rapport van 25 januari 2013 overgelegd. Uit het door die arbeidsdeskundige verrichte uitvoerige (werkplek)onderzoek blijkt volgens appellante dat werknemer in zijn functie van nachtportier veel meer werkzaamheden moest verrichten dan alleen het verwelkomen van gasten, zoals onder meer het klaarzetten van het ontbijtbuffet en het dekken van de tafels. Voor die andere taakonderdelen was werknemer, gelet op zijn medische beperkingen, aldus appellante, niet geschikt.


3.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.


3.2.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het standpunt van appellante dat het Uwv naast de uitkomst van de deskundigenprocedure tevens een eigen onderzoeksplicht heeft naar de vraag of werknemer de wachttijd heeft volgemaakt, niet tot de door haar gewenste uitkomst leiden. Uit de systematiek van het Burgerlijk Wetboek, de Ziektewet, en de Wet WIA in onderlinge samenhang, leidt de rechtbank af dat het Uwv bij de beoordeling of de wettelijk voorgeschreven wachttijd is volgemaakt, in beginsel mag afgaan op wat in de arbeidsverhouding tussen werknemer en werkgever rechtens is komen vast te staan in het geval een deskundigenprocedure is gevolgd. De uitkomsten zijn in dit geval ook door de burgerlijke rechter beoordeeld en appellante heeft in dat oordeel berust. Het Uwv heeft daarom van de juistheid van de uitkomst van het deskundigenoordeel mogen uitgaan.


3.3.

De rechtbank heeft overwogen dat de wachttijd, die op 19 augustus 2010 is aangevangen, op 27 september 2010 is gestuit, waardoor de wachttijd van 104 weken als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de WIA niet is doorlopen. Hieruit volgt dat in het bestreden besluit terecht ervan is uitgegaan dat werknemer geen aanspraak kan maken op een WIA-uitkering, nu niet is voldaan aan één van de in artikel 47, eerste lid, van de WIA opgenomen voorwaarden.


4. In hoger beroep heeft appellante haar in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald. Zij heeft andermaal benadrukt dat het Uwv een eigen onderzoeksplicht heeft en zich daarbij niet hoeft te laten leiden door het oordeel van de rechtbank, ook als dat in rechte is komen vast te staan. Volgens appellante is werknemer - tot aan zijn uitval op 8 september 2011 - op en na 27 december 2010 volledig arbeidsongeschikt gebleven.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.4.1. Artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA, bepaalt dat voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering voor hem een wachttijd geldt van 104 weken. Als eerste dag van de wachttijd geldt, op grond van het tweede lid van artikel 23, de eerste werkdag al dan niet in dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens werktijd is gestaakt. Voorts houdt het derde lid van dit artikel - kort gezegd - in dat bij het bepalen van de wachttijd de volgende perioden in aanmerking worden genomen (a) perioden waarin recht bestaat op ziekengeld als bedoeld in de Ziektewet (ZW) en (b) perioden die niet al op grond van onderdeel a meetellen maar waarin de verzekerde ongeschikt is geweest voor zijn arbeid.


4.2.

In vaste rechtspraak heeft de Raad blijk gegeven van het oordeel dat de vraag of de wachttijd is vervuld, steeds een zelfstandige beoordeling vergt, op basis van alle beschikbare gegevens van medische en andere aard, waarbij eventuele eerdere tijdens de wachttijd plaatsgevonden hersteldverklaringen betrokken (kunnen) worden. Zie onder meer de uitspraak van 13 oktober 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0780).


4.3.

De Raad stelt vast dat, gelet op de onderbouwing door het Uwv van het door hem ingenomen standpunt, zoals onder meer naar voren komt uit het bestreden besluit zelf, het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank, het verweerschrift in hoger beroep alsmede uit wat de gemachtigde van het Uwv ter zitting bij de Raad heeft verklaard, het Uwv bij zijn standpuntbepaling, zo niet volledig dan toch in elk geval in overwegende mate, is afgegaan op het rapport deskundigenoordeel van 15 februari 2011 en het meergenoemde vonnis van de rechtbank van 3 juli 2012, waarin de rechtbank heeft geoordeeld in lijn met de uitkomsten van dat deskundigenoordeel.


4.4.

Eigen onderzoek door een verzekeringsarts en/of een arbeidsdeskundige heeft niet plaatsgevonden. Daarmee is het Uwv in gebreke gebleven ten aanzien van de op hem rustende plicht tot het verrichten van eigen onderzoek, als hiervoor onder 4.2 omschreven. Anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, als hiervoor onder 3.2 in samenvatting weergegeven, volstaat de enkele verwijzing naar het vonnis van de rechtbank van 3 juli 2012 en naar het deskundigenoordeel niet. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat het betreffende vonnis is gewezen in het kader van een arbeidsrechtelijk geschil tussen werknemer en appellante. In dat geschil was het Uwv geen partij. Dit betekent dat aan de uitkomst van dat geschil niet zonder meer, als thans is geschied, beslissende betekenis kan worden toegekend voor de rechtsverhouding tussen appellante en het Uwv betreffende de aanspraak van de werknemer van appellante op een WIA-uitkering, zoals in de onderhavige procedure aan de orde.


4.5.

Hetzelfde geldt voor het deskundigenoordeel, in welk verband de Raad wijst op zijn rechtspraak waarin is geoordeeld dat de zogeheten second opinion - deze aangeduid als deskundigenoordeel - dient te worden aangemerkt als een attest waarvan de werknemer in het kader van een vordering tot loondoorbetaling tegenover zijn werkgever gebruik kan maken. Zie onder meer de uitspraak van 5 januari 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AS3619) en de daarin vermelde uitspraak van 27 augustus 1997 (ECLI:CRVB:1997:ZB7154). Uit die rechtspraak vloeit voort dat de uitkomst van een deskundigenoordeel niet zonder meer bepalend kan worden geacht voor de aanspraken van werknemer tegenover het Uwv op grond van de Wet WIA.


4.6.

Het Uwv zal alsnog op basis van een toereikend eigen verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek zijn standpunt dienen te bepalen over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de daarmee samenhangende vraag of en wanneer, daarvan uitgaande, de wachttijd als bedoeld in artikel 23 van de Wet WIA is volbracht.


4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet op een zorgvuldige wijze is voorbereid, alsmede dat een deugdelijke en daadkrachtige motivering voor het in het bestreden besluit ingenomen standpunt ontbreekt. Teneinde te komen tot een definitieve beslechting van het geschil, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht en met inachtneming van de overwegingen in 4.1 tot en met 4.6, het Uwv opdracht te geven de gebreken in het bestreden besluit te herstellen dan wel een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.





















BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2015.

(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) J.R. van Ravenstein



JL