Centrale Raad van Beroep, 21-01-2015 / 13-2533 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:188

Inhoudsindicatie
Met terugwerkende kracht herziening van eerder vastgestelde lage eigen bijdrage naar de hoge eigen bijdrage in verband met indicatie voor langdurig verblijf. CAK heeft verzuimd tijdig deze indicatie in zijn systeem te verwerken. Geen sprake van schending van het rechtszekerheidsbeginsel. De zesmaandenjurisprudentie niet van toepassing. CAK heeft een te laag bedrag van de vordering kwijtgescholden. Beleid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-21
Publicatiedatum
2015-01-29
Zaaknummer
13-2533 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/2533 AWBZ

Datum uitspraak: 21 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

11 april 2013, 12/5007 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

CAK



PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft [Naam V.] hoger beroep ingesteld.


CAK heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2014. Appellante is vertegenwoordigd door [Naam V.] en [naam A.]. CAK is vertegenwoordigd door C. Pahladsingh.



OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten.


1.1.

CAK heeft voor appellante bij besluit van 6 januari 2011 eigen bijdrage Zorg voor met Verblijf per 1 januari 2011 vastgesteld op € 203,86 per maand. Bij besluit van 17 januari 2012 heeft CAK de eigen bijdrage per 1 januari 2012 vastgesteld op € 309,14 per maand. Deze bedragen betreffen de lage eigen bijdrage.


1.2.

Vervolgens heeft CAK bij besluiten van 24 en 25 mei 2012 de eigen bijdrage van appellante alsnog per 1 januari 2011 vastgesteld op € 926,49 per maand en per 1 januari 2012 op € 1.351,35 per maand. Deze bedragen betreffen de hoge eigen bijdrage. Bij besluit van

19 juni 2012 heeft CAK de gecorrigeerde bedragen tot en met mei 2012 gefactureerd tot een totaalbedrag van € 13.882,61. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen die besluiten.


1.3.

CAK heeft bij besluit van 12 september 2012 het bezwaar deels gegrond verklaard, in die zin dat hij een bedrag van € 1.149,26 kwijtscheldt. Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.


2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Tussen partijen is niet in geschil dat voor appellante over de jaren 2011 en 2012 de hoge eigen bijdrage geldend is. Wel is in geschil of CAK de eigen bijdrage over die jaren nog mocht herzien toen CAK bleek dat hij de ten aanzien van appellante genomen gewijzigde indicatie per 8 december 2008 niet in zijn systeem had verwerkt. CAK kwam de bevoegdheid toe de gemaakte fout te herstellen en heeft met zijn besluiten niet in strijd gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel en ook overigens zijn de besluiten niet strijdig met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel. Ten aanzien van de invordering heeft de rechtbank overwogen dat CAK door hantering van zijn kwijtscheldingsbeleid in deze zaak een niet onredelijke belangenafweging heeft gemaakt.


3. Appellante voert in hoger beroep aan dat de rechtszekerheid is geschonden. Zij is er steeds van uitgegaan dat ze de juiste eigen bijdrage betaalde. Op 17 juli 2008 heeft appellante nog navraag gedaan bij CAK over de eigen bijdrage. Appellante heeft een beroep gedaan op de zogenaamde zesmaandenjurisprudentie. Er is verder sprake van schending van het legaliteitsbeginsel. Er was namelijk ten tijde van het nemen van de herzieningsbesluiten geen wettelijke grondslag waaraan CAK zijn bevoegdheid kon ontlenen. Appellante betoogt dat de oplegging van een eigen bijdrage valt onder de reikwijdte van artikel 104 van de Grondwet. Het zou in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel als een herzieningsbesluit over de eigen bijdrage kan worden genomen zonder wettelijke grondslag, terwijl in het belastingrecht bij herziening van eerdere besluiten wel een wettelijke grondslag vereist is. Voorts stelt appellante dat geen sprake is van een redelijke belangenafweging. Het mag zo zijn dat aan appellante enig verwijt is te maken, maar dat staat in geen verhouding tot hoe CAK het heeft voorgesteld. Ten slotte is het onjuist dat CAK bij deze belangenafweging de jaren 2009 en 2010 betrekt, terwijl over die jaren geen herzieningsbesluiten zijn genomen.


4. De Raad overweegt het volgende.


4.1.

Appellante had vanaf 8 december 2008 een indicatie voor langdurig verblijf. Daarom heeft CAK terecht over de in geding zijnde jaren 2011 en 2012 vastgesteld dat appellante een hoge eigen bijdrage is verschuldigd. Omdat CAK heeft verzuimd tijdig deze indicatie in zijn systeem te verwerken, heeft het lang geduurd voordat CAK herzieningsbesluiten heeft genomen.


4.2.

Het gaat in deze zaak om de situatie waarin het bestuursorgaan met terugwerkende kracht en in voor de betrokken verzekerde nadelige zin een eerder vastgestelde eigen bijdrage herziet. Het Bijdragebesluit zorg hield tot 1 januari 2013 geen voorschrift in over het herzien van een vastgestelde eigen bijdrage. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan, zoals CAK, naar vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld CRvB 7 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1545) de bevoegdheid toekomt om een gemaakte fout te herstellen, onder de voorwaarde dat het besluit niet in strijd komt met het rechtszekerheidsbeginsel en ook overigens niet met enig geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel. Niet valt in te zien dat het bepaalde in artikel 104 van de Grondwet in een geval als het onderhavige aan deze rechtspraak in de weg staat, reeds omdat in die bepaling niet staat dat ook voor de herziening van het opleggen van een eigen bijdrage als de onderhavige een wettelijke grondslag vereist is.


4.3.

Er is geen sprake van schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Op de besluiten van

6 januari 2011 en 17 januari 2012 staat expliciet vermeld dat appellante de lage eigen bijdrage betaalt. In de folder van CAK ‘Informatie over de eigen bijdrage, Zorg met verblijf’ van 2008, staat vermeld dat iedereen bij verblijf in een zorginstelling de eerste zes maanden de lage eigen bijdrage betaalt en nadien de hoge eigen bijdrage, behoudens een aantal in dit geval zich niet voordoende situaties. Verder heeft CAK de herziening beperkt tot de periode vanaf

1 januari 2011, terwijl appellante al vanaf 8 december 2008 de indicatie langdurig verblijf had. Overigens houdt wat hiervoor is overwogen niet in dat appellante of haar zaakwaarnemer verwijtbaar zouden hebben gehandeld.


4.4.

Tussen partijen is verder in geschil of CAK bij de uitoefening van zijn bevoegdheid toepassing had moeten geven aan de zogeheten zesmaandenjurisprudentie. Deze jurisprudentie van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX1134) houdt in dat de wettelijke bevoegdheid van een bestuursorgaan om onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen, in de tijd wordt beperkt indien het bestuursorgaan geen, onvoldoende of niet tijdig actie heeft ondernomen op een verkregen, voldoende concreet signaal van de betrokkene dat (mogelijk) te veel of ten onrechte uitkering wordt verstrekt en het bedrag van de ten onrechte verleende uitkering onnodig is opgelopen. Na een dergelijk signaal van de betrokkene heeft het bestuursorgaan nog zes maanden om tot actie over te gaan. Over de periode gelegen na die zes maanden kan geen gebruik meer worden gemaakt van de bevoegdheid tot terugvordering zonder in strijd te komen met het zorgvuldigheidsbeginsel.


4.5.

Anders dan in de gevallen waarop de zesmaandenjurisprudentie ziet, is in het geval van betrokkene niet de uitoefening van een in een wettelijke bepaling neergelegde bevoegdheid tot terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering aan de orde, maar de vaststelling van een ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Bijdragebesluit zorg (Bbz) verplichte eigen bijdrage. De bepalingen van het Bbz die zien op de vaststelling van de eigen bijdrage zijn imperatief gestelde algemeen verbindende voorschriften die geen ruimte bieden om de eigen bijdrage te matigen. De zesmaandenjurisprudentie is dan ook reeds om die reden niet van toepassing. Daar komt nog bij dat appellante niet zelf bij CAK heeft gesignaleerd dat de eigen bijdrage mogelijk te laag was vastgesteld. De mail die in juli 2008 namens appellante aan CAK is verzonden, hield niet een dergelijk signaal in.

4.6.1.

Nu de geldschuld van appellante voortvloeit uit een besluit van CAK om de eerder vastgestelde eigen bijdrage met terugwerkende kracht te herzien, komt CAK, omdat het daarbij gaat om toepassing van een discretionaire bevoegdheid, ook de bevoegdheid toe om de daaruit voortvloeiende geldschuld geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden. 4.6.2. In het besluit van 12 september 2012 is CAK overgegaan tot kwijtschelding van

€ 1.149,26. Daartoe heeft CAK gesteld dat eerder niet voldoende rekening was gehouden met appellantes financiële en persoonlijke belangen door (uitsluitend) de navordering over 2009 en 2010 kwijt te schelden en over de navordering over 2011 en de eerste vijf maanden van 2012 niets kwijt te schelden.


4.6.3.

Het beleid van CAK behelst de volgende kwijtscheldingspercentages:

- 1 t/m 6 maanden met terugwerkende kracht 0%

- 7 t/m 12 maanden met terugwerkende kracht 25%

- 13 t/m 18 maanden met terugwerkende kracht 33,33%

- 19 t/m 24 maanden met terugwerkende kracht 50%

- vanaf 25 maanden met terugwerkende kracht 100%

4.6.4.

De kwijtschelding van € 1.149,26 heeft CAK als volgt berekend. Toepassing van het beleid leidt tot kwijtschelding van € 5.126,54, waarbij tevens de jaren 2009 en 2010 zijn meegenomen. Over deze jaren heeft CAK echter de lage eigen bijdrage vastgesteld. De naheffing over de jaren 2009 en 2010 die hiermee volgens CAK is kwijtgescholden bedraagt € 3.977,28. Bij de belangafweging wordt ook met dat gegeven rekening gehouden. Omdat de door CAK gestelde kwijtschelding over 2009 en 2010 minder inhoudt dan de toepassing van de rekenformule, is CAK overgegaan tot kwijtschelding van het verschil tussen € 5.126,54 en € 3.977,28, oftewel € 1.149,26.


4.6.5.

Zoals appellante heeft gesteld, heeft CAK geen herzieningsbesluiten genomen ten aanzien van de jaren 2009 en 2010. De Raad volgt CAK niet dat deze jaren bij de belangenafweging worden betrokken. Met toepassing van het beleid over 2011 en over de maanden januari tot en met mei 2012 komt de Raad tot een kwijtschelding van € 2.278,11.

Er zijn geen omstandigheden aangevoerd om in begunstigende of in nadelige zin voor appellante af te wijken van het beleid.


4.6.6.

Wat hiervoor is overwogen houdt in dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Raad het beroep tegen het besluit van 12 september 2012 gegrond en vernietigt hij dat besluit, voor zover daarin een bedrag van € 1.149,26 is kwijtgescholden. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De Raad zal bepalen dat aan appellante een bedrag van € 2.278,11 wordt kwijtgescholden.


5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 12 september 2012 voor zover het betreft het bedrag dat

appellante wordt kwijtgescholden; - bepaalt dat aan appellante een bedrag van € 2.278,11 wordt kwijtgescholden;- bepaalt dat CAK aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in

totaal € 160,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en A.J. Schaap en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2015.




(getekend) R.M. van Male




(getekend) D. van Wijk




TM