Centrale Raad van Beroep, 02-06-2015 / 14-1138 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1884

Inhoudsindicatie
Partner stopt ten onrechte met de opleiding. Afwijzing aanvraag tot verhoging van de bijstand.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-02
Publicatiedatum
2015-06-16
Zaaknummer
14-1138 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak

14/1138 WWB


Datum uitspraak: 2 juni 2015


Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

14 januari 2014, 13/1742 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.L. Crutzen, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015. Voor appellant is, daartoe opgeroepen, verschenen mr. Crutzen. Het college heeft zich, daartoe geroepen, laten vertegenwoordigen door mr. J. Quaedvlieg.



OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant, geboren in februari 1986, samenwonend met [naam partner] (hierna: partner) geboren in mei 1990, ontving ten tijde in geding bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met 20% toeslag. De partner ontving studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000). Het college heeft, er kennelijk van uitgaande dat zij een gezamenlijke huishouding voeren de inkomsten uit studiefinanciering op de bijstand van appellant in mindering gebracht voor zover het totale inkomen van appellant en de partner de gehuwdennorm te boven ging.


1.2.

De partner is met haar opleiding gestopt. Met ingang van 18 september 2012 is zij uitgeschreven als student van genoemde opleiding. In verband hiermee is per 1 oktober 2012 de studiefinanciering beëindigd.


1.3.

Appellant heeft op 15 oktober 2012 het college gevraagd de bijstand te verhogen in verband met de beëindiging van de studiefinanciering van zijn partner.


1.4.

Bij besluit van 27 december 2012 heeft het college de bijstand ongewijzigd voortgezet naar de norm voor een alleenstaande met 20% toeslag, waarop de inkomsten uit studiefinanciering in mindering worden gebracht.


1.5.

Bij besluit van 22 april 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 december 2012 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de partner geen recht heeft op bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel c, van de WWB omdat zij de door haar gestaakte opleiding kan volgen. Omdat appellant redelijkerwijs kan beschikken over inkomsten uit studiefinanciering worden die inkomsten op de bijstand van appellant in mindering gebracht voor zover het totale inkomen van appellant en de partner de gehuwdennorm te boven gaat.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat niet is gebleken dat de partner haar opleiding moest staken in verband met medische klachten als gevolg van haar zwangerschap. De door appellant overgelegde medische verklaringen bieden daarvoor onvoldoende aanleiding. De stelling van appellant dat de mentor van de opleiding van de partner, B. Ooms (Ooms), gezegd heeft dat de partner in verband met haar klachten de stage niet zou kunnen volgen, is niet bevestigd. Het college heeft telefonisch navraag bij Ooms gedaan en deze heeft verklaard dat hij de partner nooit heeft geadviseerd om met de opleiding te stoppen vanwege haar zwangerschap of om andere redenen.


3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de partner om gezondheidsredenen zich gedwongen voelde met de opleiding te stoppen en dat zij dit in overleg met Ooms heeft gedaan. Omdat zij na het staken van haar opleiding geen studiefinanciering meer ontving, kon appellant niet meer over deze middelen beschikken.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad ziet zich primair gesteld voor de vraag of het college het besluit tot afwijzing van de door appellant verzochte verhoging van de bijstand, welk besluit in het bestreden besluit is vervat, heeft kunnen baseren op artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB. Op grond van die bepaling bestaat geen recht op algemene bijstand voor degene die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en:

1°. in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wsf 2000, dan wel

2°. in verband daarmee geen aanspraak heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt.


4.2.

In het bijzonder spitst het geschil zich toe op de vraag of de partner om gezondheidsredenen met de opleiding moest stoppen en of appellant redelijkerwijs kon beschikken over inkomsten uit studiefinanciering van de partner.


4.3.

Met betrekking tot de vraag of de partner uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kon volgen is het volgende van belang. De partner volgde in 2012 een opleiding - verzorgende BOL - aan het Arcus college. Het betreft uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs. Appellant heeft aangevoerd dat de partner haar opleiding in verband met haar zwangerschap heeft moeten staken omdat zij de werkzaamheden behorende bij de met deze opleiding verbonden stage, niet meer mocht verrichten omdat dit bij haar tot vaginale bloedingen leidde. In verband daarmee heeft appellant verklaringen van de huisarts van de partner en een verklaring van haar verloskundige overgelegd. De opleiding zou in overleg met Ooms zijn gestaakt. Het college stelt zich op het standpunt dat de partner haar opleiding niet om medische redenen behoefde te staken. Indien de partner beperkt zou zijn in haar mogelijkheden om de stage te volgen dan had zij de opleiding kunnen verlengen met behoud van studiefinanciering dan wel had zij gebruik kunnen maken van een overbruggingsperiode van vier maanden als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, van de Wsf 2000.


4.4.

Deze in hoger beroep aangevoerde grond verschilt, evenmin als het daartegen gerichte verweer, niet wezenlijk van hetgeen in beroep naar voren is gebracht. De Raad onderschrijft de beoordeling van deze grond door de rechtbank en maakt die tot de zijne. Daaraan wordt toegevoegd dat uit de verklaringen van de huisarts en van de verloskundige niet blijkt dat de partner bepaalde werkzaamheden niet meer kon of mocht verrichten. Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de opleiding niet kon worden opgeschort met behoud van studiefinanciering, of dat de partner na afloop van een eventuele opschorting niet weer tijdens het lopende schooljaar kon instromen. Dit klemt temeer in het licht van de e-mailwisseling tussen het college en mr. M. Thoonsen, lid examencommissie en vrijstellingsfunctionaris, waaruit blijkt dat afhankelijk van de omstandigheden tussentijds kan worden ingestroomd. Niet is gebleken van enige poging van de kant van de partner om een regeling te treffen met betrekking tot de door haar ervaren stagebeperkingen. Uit het vorenstaande volgt dat niet kan worden aangenomen dat de partner haar opleiding definitief moest staken.


4.5.

Bij de vervolgens te beantwoorden vraag of de partner aanspraak had op studiefinanciering gaat het erom of het volgen van de uit ’s Rijks kas bekostigde opleiding op zichzelf aanspraak geeft op studiefinanciering, niet of de partner in concreto die aanspraak geldend kan maken. Dit leidt de Raad af uit de wetsgeschiedenis van artikel 4, tweede lid, van de WWB, zoals dat gold tussen 1 januari 2012 en 1 juli 2012. Daarin was als uitzondering op meerjarige kinderen bepaald het kind dat a. uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt en b. aanspraak kan maken op studiefinanciering 2000; of c. voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in aanmerking komt. In de memorie van toelichting (kamerstukken II, 2010-2011, 32 815,

nr. 3, p. 47) is over aanspraak kunnen maken het volgende opgemerkt.

“Daarnaast dient het kind uit ’s rijks kas bekostigd onderwijs te volgen, aanspraak te hebben op studiefinanciering, of voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) in aanmerking te komen.(…)

Onder deze uitzondering vallen ook personen die wel aanspraak hebben op studiefinanciering of een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de WTOS maar die dit niet ontvangen omdat ze zelf in hun inkomen voorzien doordat ze bijvoorbeeld een bijbaantje hebben”.

Vaststaat dat het volgen van de opleiding - verzorgende BOL - aan het Arcus college aanspraak geeft op studiefinanciering.


4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat de partner, gelet op de omstandigheden van het geval, onder de omschrijving van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, sub 1° van de WWB valt, zodat zij terecht is uitgesloten van het recht op bijstand. Het college heeft dan ook op goede grond het verzoek tot verhoging van de bijstand tot het niveau van de gehuwdennorm afgewezen.


4.7.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Ingevolge het derde lid wordt het inkomen van de partner die geen recht op bijstand heeft daarbij in aanmerking genomen.


4.8.

Gelet op het complementaire karakter van de bijstand wordt in artikel 31, eerste lid, van de WWB een ruime definitie gehanteerd van het begrip middelen

(Kamerstukken II, 2002/02, 28 870, nr. 3, blz. 56). Tot de middelen worden in beginsel alle inkomens- en vermogensbestanddelen gerekend die strekken tot vermindering van de bijstand. Het gaat daarbij bovendien niet alleen om de middelen waarover de betrokkene beschikt (de feitelijk ontvangen middelen), maar ook om die middelen waarover de betrokkene redelijkerwijs kan beschikken, als uitvloeisel van de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.


4.9.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het college onder de gegeven omstandigheden terecht de studiefinanciering die de partner zou hebben ontvangen, indien zij haar opleiding niet had gestaakt, heeft aangemerkt als middelen waarover zij redelijkerwijs heeft kunnen beschikken, zodat die bij de bijstandverlening aan appellant in aanmerking konden worden genomen. Dat de partner om haar moverende redenen haar opleiding heeft gestaakt en om die reden geen recht meer had op studiefinanciering, brengt niet mee dat deze voor de toepassing van de WWB niet als in aanmerking te nemen middel moet worden beschouwd.

4.10.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSINGw


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD