Centrale Raad van Beroep, 12-06-2015 / 13-2448 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:1902

Inhoudsindicatie
Geen procesbelang. Geen vergoeding van kosten in bezwaar. Geen dwangsom. +
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-12
Publicatiedatum
2015-06-17
Zaaknummer
13-2448 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2448 AOW

Datum uitspraak: 12 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 maart 2013, 12/4945 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 19 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4153, een tussenuitspraak gedaan.

Ter uitvoering van die tussenuitspraak heeft appellant op 17 februari 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar ingezonden. In dat besluit is het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 13 april 2012 ingetrokken.

Namens betrokkene heeft mr. P.W.G.J. de Haas, desgevraagd, op 18 maart 2015 een zienswijze ingestuurd over dit nieuwe besluit. Appellant heeft hierop gereageerd in een brief van 20 maart 2015.

Met een brief van 3 april 2015 heeft appellant een bezwaarschrift van mr. ing. L. Springeling, gericht tegen het besluit van 17 februari 2015, aan de Raad toegezonden teneinde dit op grond van artikel 6:19, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het hoger beroep te betrekken.

De Raad heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede en derde lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet, heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verwezen wordt naar de tussenuitspraak van 19 december 2014 voor de feiten waarvan wordt uitgegaan bij de oordeelvorming. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.


1.2.

Met het besluit van 17 februari 2015 heeft appellant betrokkene laten weten dat de afkoopsom pensioen van de partner van betrokkene niet zal worden gekort op de

AOW-toeslag van betrokkene en dat de terugvordering van de te veel betaalde toeslag niet wordt gehandhaafd.


1.3.

Namens betrokkene is in de brief van 18 maart 2015 vermeld dat aan zijn oorspronkelijk bezwaar tegemoet is gekomen. Wel vordert hij vergoeding van griffierecht en proceskosten. In het bezwaarschrift van 31 maart 2015 worden tevens dwangsommen gevorderd wegens overschrijding door de Svb van de beslistermijn in de oorspronkelijke bezwaarfase. Ook wordt hierin integrale vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand gevorderd in alle instanties.


1.4.

In de nadere reactie van appellant van 20 maart 2015 is aangevoerd dat in de nieuwe beslissing enkel is geweigerd de kosten in bezwaar te vergoeden, nu van voor vergoeding in aanmerking te nemen kosten niet was gebleken. De proceskosten en het griffierecht in beroep zullen worden vergoed conform het bepaalde in de aangevallen uitspraak, evenals de nog door de Raad vast te stellen proceskosten in hoger beroep.


2.1.

Uit het voorgaande volgt dat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zal worden.

2.2.

Over het bezwaar dat namens betrokkene is ingediend tegen het besluit van 17 februari 2015 wordt vastgesteld dat de Svb dit op grond van artikel 6:19, in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, terecht aan de Raad heeft toegezonden teneinde dit bij het hoger beroep te betrekken. Voor zover namens betrokkene dwangsommen worden gevorderd van appellant wegens het niet tijdig nemen van het oorspronkelijke besluit op bezwaar, wordt vastgesteld dat het besluit van 17 februari 2015 hierop geen betrekking heeft. Ten overvloede wordt opgemerkt dat uit het dossier niet blijkt dat betrokkene appellant destijds in gebreke heeft gesteld, zoals vereist is op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb. Hieruit volgt dat het hoger beroep tegen het besluit van 17 februari 2015 in zoverre niet slaagt.


2.3.

Appellant heeft voorts op juiste gronden vastgesteld dat betrokkene geen recht heeft op vergoeding van kosten in bezwaar, nu van voor vergoeding in aanmerking te komen kosten niet is gebleken. Het beroep tegen het besluit van 17 februari 2015 moet daarom ongegrond verklaard worden.


3. Appellant wordt wel veroordeeld tot vergoeding van proceskosten in hoger beroep, begroot op € 1.225,- voor verleende rechtsbijstand en € 31,- aan reiskosten van betrokkene. Er bestaat geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, nu niet gesproken kan worden van bijzondere omstandigheden.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 februari 2015 ongegrond;

- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.256,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 478,-.



Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2015.




(getekend) T.L. de Vries




(getekend) M.D.F. de Moor




ew