Centrale Raad van Beroep, 03-06-2015 / 13-2281 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1903

Inhoudsindicatie
Weigering ZW-uitkering. Benadelingshandeling.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-03
Publicatiedatum
2015-06-17
Zaaknummer
13-2281 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2281 ZW

Datum uitspraak: 3 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 maart 2013, 12/1921 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A. Korver, advocaat hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift overgelegd.

Appellant heeft nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Korver. Het Uwv is - met bericht - niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Voor de relevante feiten verwijst de Raad naar 1.1 en 1.2 in de aangevallen uitspraak en wordt volstaan met het navolgende.


1.2.

Appellant heeft het Uwv verzocht hem vanaf 10 november 2011 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) te verstrekken. Bij besluit van 9 februari 2012 heeft het Uwv dit, in afwachting van de beslissing van de kantonrechter, geweigerd. Bij besluit van 20 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 februari 2012 ongegrond verklaard.


1.3.

Het Uwv heeft aan de blijvend gehele weigering van een ZW-uitkering ten grondslag gelegd dat appellant, gelet op de wijze waarop zijn arbeidsovereenkomst is beëindigd, een benadelingshandeling heeft gepleegd. Het Uwv heeft zich daarbij, onder verwijzing naar de bevindingen van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, op het standpunt gesteld dat destijds geen sprake was van aantoonbaar zodanig psychisch disfunctioneren dat verwijtbaarheid voor deze benadelingshandeling ontbrak.


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van 2 december 1998 ECLI:NL:CRVB:1998:AA8998, overwogen dat uit artikel 45, zevende lid, van de ZW volgt dat sprake is van een benadelingshandeling als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder j van dat artikel wanneer de verzekerde zonder deugdelijke grond heeft nagelaten verweer te voeren tegen of heeft ingestemd met een beëindiging van de dienstbetrekking. Appellant heeft zijn recht op loon bewust prijs gegeven op een moment waarop het ongeschiktheidsrisico al was ingetreden. Het Uwv heeft dit terecht als een benadelingshandeling gekwalificeerd. De rechtbank heeft het beroep van appellant op zijn psychische en andere problematische omstandigheden, op grond waarvan hij meent dat hem geen verwijtbaarheid treft, niet gevolgd. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de medische gegevens geen aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat de psychische toestand van appellant zodanig was dat hem de benadelingshandeling in het geheel niet valt aan te rekenen. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat evenmin sprake is van verminderde verwijtbaarheid van appellant nu uit de stukken niet blijkt van een advies vanuit bijvoorbeeld de behandelend sector tot het nemen van ontslag of het niet terugkeren naar het werk vanwege zijn gezondheidssituatie. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht blijvend en geheel heeft geweigerd.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep als formele grond aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de aangevoerde grond, dat aan het primaire besluit geen benadelingshandeling als weigeringsgrond ten grondslag is gelegd, onbesproken heeft gelaten. Voorts heeft appellant zich – samengevat - op het standpunt gesteld dat hij er gelet op zijn psychische gezondheidstoestand op deugdelijke grond voor heeft mogen kiezen om een minder belastende procedure te volgen, te weten een vordering tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, in plaats van het voeren van verweer tegen het ontslag op staande voet. Tevens stelt appellant dat het niet noodzakelijk was om verweer te voeren tegen het ontslag op staande voet omdat het duidelijk was dat de arbeidsovereenkomst, ondanks het verweer, ontbonden zou worden. Tot slot stelt appellant dat, indien al sprake zou zijn van een benadelingshandeling, dat, gelet op zijn psychische klachten, het ontbreken van iedere vorm van verwijtbaarheid moet worden aangenomen danwel dient tenminste een verminderde verwijtbaarheid te worden aangenomen. Ter onderbouwing van onder meer zijn medische situatie ten tijde hier in geding heeft appellant diverse (medische) stukken overgelegd.


3.2.

In verweer stelt het Uwv dat in de aangevallen uitspraak de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat appellant een benadelingshandeling heeft gepleegd en dat het recht op ziekengeld deswege geheel en blijvend diende te worden geweigerd. Het Uwv kan zich in de daartoe door de rechtbank gegeven motivering vinden en verzoekt de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ten aanzien van appellants formele grond wordt, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van onder meer 26 februari 2015 ECLI:NL:CRVB:2015:567, geoordeeld dat in het kader van de heroverweging van het primaire besluit, als bedoeld in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht, het Uwv bevoegd was gebreken in de motivering van het primaire besluit te herstellen zonder daaraan de gevolgtrekking te verbinden van herroeping van het primaire besluit. Van een wijziging in de rechtsgevolgen van dit besluit was immers geen sprake.


4.2.

Voorts is de Raad, met de rechtbank en op grond van gelijke overwegingen, van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW heeft gepleegd. Door niet de nietigheid van het op 10 november 2011 gegeven ontslag op staande voet in te roepen heeft appellant uiteindelijk berust in het ontslag en zijn recht op loon prijs gegeven op een moment waarop het arbeidsongeschiktheidsrisico - appellant was immers al vanaf juli 2011 ziek - al was ingetreden. Hij heeft daarmee een onnodig beroep op de ZW gedaan. De stelling van appellant dat het niet noodzakelijk was om verweer te voeren tegen het ontslag op staande voet omdat het duidelijk was dat de arbeidsovereenkomst, ondanks het verweer, door de kantonrechter ontbonden zou worden, wordt niet gevolgd. Voor zover appellant hiermee heeft beoogd een beroep te doen op rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2013:BY8635, moet worden gezegd dat die rechtspraak op een geheel andere situatie ziet, namelijk betreffende een reorganisatie, waarbij in dat geval is geoordeeld dat de kans dat de kantonrechter het ontbindingsverzoek zou afwijzen als verwaarloosbaar klein zou moeten worden aangemerkt. In de onderhavige zaak is de Raad, met de rechtbank, van oordeel, dat een kantonrechter een zaak op zijn eigen merites beoordeelt en dat niet op het vonnis vooruit gelopen kan worden, zeker niet als een zaak in zijn geheel niet aanhangig is gemaakt.

4.3.

Het betreft hier een handelen dat moet worden gekwalificeerd als het schenden van een verplichting van de vierde categorie als bedoeld in artikel 7, aanhef en onder a, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten, waarbij gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef onder d, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten een blijvend gehele weigering van de uitkering past, tenzij het niet nakomen van de verplichting de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten.


4.4.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen gronden bestaan om aan te nemen dat bij appellant sprake is van een verminderde verwijtbaarheid welke reden vormt om ten gunste van hem af te wijken van de hoogte van de opgelegde maatregel.


4.5.

Van belang wordt geacht dat appellant zich, nadat hij ontslag op staande voet had gekregen, voorzien heeft van professionele bijstand. Hij kan dus geacht worden een weloverwogen beslissing te hebben genomen ten aanzien van het al dan niet aanvechten van het ontslag om daarmee het voortzetten van zijn dienstverband en daaruit vloeiende recht op loon te behouden. Dat hij daarbij de wens een spoedig einde te maken aan de arbeidsrelatie met zijn werkgever en met hem te komen tot een financiële afwikkeling heeft laten prevaleren boven het recht op loondoorbetaling gedurende zijn ziekte dient voor zijn rekening te blijven. Dat van appellant, gelet op zijn psychische gesteldheid, niet gevergd kon worden dat hij beide procedures zou doorlopen blijkt niet uit de in het dossier aanwezige medische gegevens. Met de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de Raad van oordeel dat uit de overgelegde medische informatie, waaronder de rapporten van psycholoog drs. D.W. van Geelen van

26 oktober 2012 en 18 februari 2013, weliswaar blijkt dat appellant in de periode van de ontslagprocedure psychische klachten, waaronder angstklachten, had maar niet dat deze dusdanig van aard waren dat het voeren van verweer tegen het ontslag op staande voet redelijkerwijs niet gevergd kon worden.


5. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E.W. Akkerman en

F.J.L. Pennings, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015.



(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) B. Fotchind



GdJ