Centrale Raad van Beroep, 16-06-2015 / 13-6866 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1906

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Gezamenlijke huishouding. Voldoende feitelijke grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-16
Publicatiedatum
2015-06-18
Zaaknummer
13-6866 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6866 WWB

Datum uitspraak: 16 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

14 november 2013, 12/4475 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te Suriname (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2015. Voor appellant is verschenen mr. Van Zundert. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Lunteren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft zich op 19 januari 2012 gemeld voor een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In het kader van deze aanvraag heeft appellant verklaard dat hij een zwervend bestaan heeft geleid en sinds tweeënhalve maand bij W.R. [D.] (D) op de [adres] te [woonplaats] (opgegeven adres) verblijft. Naar aanleiding van de aanvraag heeft een medewerker van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam (SoZaWe) een onderzoek gedaan naar de woon- en verblijfsituatie van appellant. In dat kader hebben twee medewerkers van SoZaWe op 21 februari 2012 een huisbezoek op het opgegeven adres afgelegd. Tijdens dit huisbezoek hebben de medewerkers appellant gehoord over zijn woon- en verblijfsituatie en met appellant een vragenlijst gezamenlijke huishouding ingevuld, welke vervolgens door appellant is ondertekend. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 23 februari 2012.


1.2.

Bij besluit van 23 februari 2012 heeft het college aan appellant met ingang van 19 januari 2012 bijstand ingevolge de WWB naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% toegekend. Aan de toekenning van bijstand heeft het college appellant als nadere verplichtingen opgelegd dat hij zich actief dient in te spannen om nieuwe woonruimte te vinden en dat hij uiterlijk 23 maart 2012 contact dient op te nemen met zijn klantmanager. Daarbij heeft het college appellant een zoektermijn tot en met 22 april 2012 gegeven voor het vinden van woonruimte en medegedeeld dat wanneer het binnen deze termijn niet is gelukt om woonruimte te vinden de uitkering zal worden beëindigd per 23 april 2012.


1.3.

Bij besluit van 2 mei 2012 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van

23 april 2012 ingetrokken op de grond dat appellant zich niet aan de nadere verplichtingen heeft gehouden omdat hij geen contact heeft opgenomen met zijn klantmanager.


1.4.

Bij besluit van 4 september 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 mei 2012, onder wijziging van de motivering, ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college - samengevat - ten grondslag gelegd dat appellant en D op het opgegeven adres een gezamenlijke huishouding voeren.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De beroepsgrond van appellant dat de rechtbank ten onrechte geen gevolgen heeft verbonden aan de wijziging van de grondslag van de intrekking, treft geen doel. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 9 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6898) staat

artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht niet in de weg aan handhaving in bezwaar van een primair besluit op een andere grond dan die waarop dat primaire besluit steunt, omdat de bezwaarprocedure bedoeld is voor een volledige heroverweging. De rechtbank heeft verder op juiste gronden overwogen dat appellant niet in zijn belangen is geschaad nu de in het bestreden besluit neergelegde grond voor de intrekking in materieel opzicht geen verslechtering van de positie van appellant oplevert. Anders dan appellant stelt is evenmin sprake van schending van het recht op hoor en wederhoor. Niet in geschil is immers dat appellant voorafgaand aan de hoorzitting op de hoogte was van de voorgenomen wijziging van de grondslag van de intrekking en dat deze grondslag ook tijdens de hoorzitting is besproken. Dat daarbij geen vertegenwoordiger van het college aanwezig is geweest, maakt niet dat appellant niet gehoord is over zijn standpunt ten aanzien van de gewijzigde grondslag van de intrekking. Zowel ter zitting bij de rechtbank als ter zitting bij de Raad is bovendien een vertegenwoordiger van het college aanwezig geweest, waardoor een uitwisseling van standpunten heeft kunnen plaatsvinden.


4.2.

Tussen partijen is in geschil of appellant en D in de te beoordelen periode van 23 april 2012 tot en met 2 mei 2012 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.


4.3.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


4.4.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Dat appellant niet op het opgegeven adres stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie Personen) hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf op het opgegeven adres in de weg te staan. Nu verder niet in geschil is dat appellant en D in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden op het opgegeven adres, is aan het eerste criterium voor een gezamenlijke huishouding voldaan.


4.5.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Wederzijdse zorg kan blijken uit financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en de hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.


4.6.

De rechtbank heeft, anders dan appellant betoogt, terecht overwogen dat het standpunt van het college dat in de hier te beoordelen periode sprake is geweest van wederzijdse zorg op een toereikende grondslag berust. Daarbij komt zwaarwegende betekenis toe aan de verklaringen van appellant tijdens het onder 1.1 genoemde huisbezoek en de door hem ingevulde vragenlijst. Hieruit blijkt onder meer dat appellant voor D kookt en dat zij gezamenlijk de maaltijden gebruiken. Appellant wast en strijkt ook voor D en zij houden samen het huis schoon. De boodschappen worden door D betaald. Dat niet gebleken is van verdere financiële verstrengeling maakt, zoals onder 4.5 is overwogen, niet dat geen sprake is van wederzijdse zorg.


4.7.

De grond van appellant dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding omdat het verblijf bij D slechts tijdelijk was nu hij door omstandigheden dakloos was geworden en op zoek was naar eigen woonruimte, slaagt niet. Niet in geschil is dat appellant reeds voorafgaand aan zijn aanvraag om bijstand in januari 2012 in de woning van D verbleef. Reeds gelet op de duur van het verblijf van appellant aldaar kan, anders dan appellant stelt, niet worden gesproken van een tijdelijk of kortdurend verblijf. De reden van het verblijf maakt dit niet anders. Immers, de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.


4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) R.G. van den Berg



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.


HD