Centrale Raad van Beroep, 10-06-2015 / 11-3646 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:1925

Inhoudsindicatie
Ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2013:1738) heeft CIZ nadere stukken ingediend. CIZ heeft met het nader verrichte onderzoek door de medisch adviseur het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld. Met dit onderzoek heeft CIZ voldaan aan de op hem rustende onderzoeksplicht en heeft CIZ alsnog voldoende zorgvuldig gemotiveerd dat appellante niet is aangewezen op een indicatie voor de functie Begeleiding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-10
Publicatiedatum
2015-06-22
Zaaknummer
11-3646 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

11/3646 AWBZ

Datum uitspraak: 10 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 mei 2011, 10/2060 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

CIZ



PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 11 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1738, een tussenuitspraak gedaan en CIZ opgedragen het in de tussenuitspraak omschreven gebrek te herstellen.


Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft CIZ op 23 december 2013, 30 april 2014 en

10 juli 2014 nadere stukken ingediend. Namens appellante is hierop op 15 januari 2014 en

22 juli 2014 gereageerd.


Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 21, eerst en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting. Tevens is besloten de zaak te verwijzen naar de enkelvoudige kamer.


Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de tussenuitspraak.


2. In de tussenuitspraak is geoordeeld dat de beslissing op bezwaar van 27 mei 2010 (bestreden besluit), waarbij onder meer is bepaald dat appellante niet is aangewezen op de functie Begeleiding, in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. Daarbij is overwogen dat de Raad, gelet op de brieven van neuroloog S.A.J. de Froe van 28 mei 2009 en (voormalig) huisarts H. Becker van 3 maart 2010, niet overtuigd is van de juistheid van de visie van medisch adviseur van CIZ,

J.J. Nasheed-Linssen. Nasheed-Linssen heeft, voor zover van belang, geconcludeerd dat de gestelde cognitieve beperkingen niet geobjectiveerd kunnen worden en dat de beperking van appellante in haar sociale redzaamheid niet meer dan licht kan zijn.

CIZ is opgedragen het geconstateerde gebrek te herstellen en een nader onderzoek te verrichten naar de beperkingen van appellante.


3. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft CIZ geprobeerd een onafhankelijk psychologisch onderzoek naar de cognitieve beperkingen in te stellen, maar dit is niet gelukt. Wel heeft medisch adviseur van CIZ, C. van Putte-Boon, nader onderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapportages van 19 december 2013 en 2 juli 2014. De medisch adviseur concludeert dat een noodzaak voor begeleiding op medische gronden niet is te onderbouwen. CIZ heeft vervolgens bij brief van 10 juli 2014 meegedeeld dat er geen aanleiding bestaat om cognitieve beperkingen aan te nemen op grond waarvan appellante ten tijde van belang was aangewezen op de functie Begeleiding.


4. Appellante stelt zich in haar reactie op het standpunt gesteld dat zonder haar toestemming informatie is ingewonnen bij behandelaars en dat het onderzoek door CIZ nog steeds onvoldoende is. Volgens appellante zijn haar beperkingen ernstiger dan door CIZ aangenomen. Zij heeft epileptische aanvallen en haar gezondheidssituatie is sinds het psychologisch onderzoek in 2000 verslechterd.

5. De Raad oordeelt als volgt.


5.1.

De Raad is van oordeel dat CIZ met het nader verrichte onderzoek door de medisch adviseur het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld. Met dit onderzoek heeft CIZ voldaan aan de op hem rustende onderzoeksplicht en heeft CIZ alsnog voldoende zorgvuldig gemotiveerd dat appellante niet is aangewezen op een indicatie voor de functie Begeleiding.


5.2.

De medisch adviseur heeft dossieronderzoek verricht en heeft de tijdens het nadere onderzoek ontvangen informatie van GZ-psycholoog W. Neelen, huisarts M.N. Azim en de huidige neuroloog van appellante W. Staal in de beoordeling betrokken. Bij de informatie van de huisarts is een brief van de coördinator van het NF team van het Academisch Ziekenhuis Maastricht, prof.dr. C.T.R.M. Schrander-Stumpel van 4 augustus 2011, een brief van neuroloog S. Weckhuysen van 4 november 2010 en een rapportage van G.J. Dekker (arts) en C. Koele (psycholoog), verbonden aan de Eikenboom, van 18 maart 2003 gevoegd.

Gelet op de in het dossier opgenomen machtigingsformulieren van 4 november 2013 en

14 juni 2014 kan appellante niet worden gevolgd in haar stelling dat voor het opvragen van deze informatie geen toestemming is verleend.


5.3.

Volgens de medisch adviseur is het in de brief van neuroloog De Froe van 28 mei 2009 genoemde psychologisch onderzoek, waaruit naar voren komt dat bij appellante sprake is van cognitieve beperkingen op het gebied van concentratie en geheugen en ernstige beperkingen op het vlak van organisatie van het gedrag, verricht in 2000. Een dergelijk psychologisch onderzoek heeft een beperkte geldigheidsduur van ongeveer twee tot drie jaar en aan dit onderzoek komt daarom geen waarde meer toe. Daarna heeft geen van de behandelaren een noodzaak gezien dit onderzoek te herhalen. De omstandigheid dat cognitieve stoornissen vaak voorkomen bij mensen met de diagnose neurofibromatose type 1 is onvoldoende om cognitieve beperkingen bij appellante aan te nemen. Appellante heeft na het basisonderwijs de huishoudschool en de banketbakkersschool met succes afgerond en heeft daarna in een grote banketbakkerij gewerkt. Volgens de medisch adviseur zijn er geen aanwijzingen te vinden voor het bestaan van cognitieve beperkingen en dergelijke beperkingen zijn, gelet op de rapportage van 18 maart 2003, ook niet gesignaleerd gedurende de observatieperiode van

20 januari 2003 tot 14 februari 2003 bij de Eikenboom.


5.4.

Hiermee heeft de medisch adviseur alsnog voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de door neuroloog De Froe, neuroloog Weckhuysen en (voormalig) huisarts Becker genoemde cognitieve beperkingen niet objectief medisch zijn vast te stellen. De Raad voegt hieraan nog toe dat ook in de informatie van het NF team van het Academisch Ziekenhuis Maastricht van 4 augustus 2011 en 10 augustus 2011 geen melding wordt gemaakt van dergelijke beperkingen bij appellante. Verder lijkt de voormalige huisarts de oorzaak van de cognitieve klachten toe te schrijven aan een eerder doorgemaakte menigo-encephalis, terwijl de neurologen een relatie leggen met de vastgestelde neurofibromatose. Noch door de neurologen, noch door de huisarts wordt, anders dan met het niet meer geldende psychologisch onderzoek uit 2000, onderbouwd waarop zij hun standpunt baseren dat bij appellante sprake is van cognitieve stoornissen.


5.5.

De medisch adviseur kan worden gevolgd in diens standpunt dat bij appellante geen sprake is van epileptische aanvallen. Dit standpunt vindt steun in de informatie van voormalig huisarts Becker en neurologen De Froe en Weckhuysen.


5.6.

Hetgeen appellante verder in hoger beroep heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de medisch adviseur dat appellante niet is aangewezen op een indicatie voor de functie Begeleiding.


5.7.

De Raad komt op grond van wat in de tussenuitspraak en in deze uitspraak is overwogen tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, dat het beroep tegen het bestreden besluit van 27 mei 2010 gegrond moet worden verklaard en dat dat besluit dient te worden vernietigd. In hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.6 bestaat aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.


5.8.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).


5.9.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 7 maart 2014

(ECLI:NL:CRVB:2014:2978) wordt in een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (Ministerie van Veiligheid en Justitie). Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak van de hoger beroepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hoger beroepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.


5.10.

Dit betekent hier het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door CIZ op 10 augustus 2009 tot de datum waarop de Raad uitspraak heeft gedaan, zijn ruim vijf en een half jaar verstreken. Er bestaat geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer dan vier jaar te stellen. De redelijke termijn is dan ook met ruim anderhalf jaar overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van viermaal € 500,-, is € 2.000,-.


5.11.

De periode tussen de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 2 juni 2010 en de tussenuitspraak van de Raad van 11 september 2013 heeft minder dan drie en een half jaar in beslag genomen. De Raad heeft binnen een jaar na ontvangst van de mededeling van CIZ op 14 juli 2014 van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak gedaan. Dat betekent dat geen sprake is geweest van een overschrijding die voor rekening komt van de Staat. De overschrijding van de redelijke termijn komt geheel voor rekening van CIZ. CIZ wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 2.000,-.


6. Er bestaat aanleiding CIZ te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.470,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 1.225,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.695,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 mei 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat de rechtgevolgen van het besluit van 27 mei 2010 in stand blijven;

- veroordeelt CIZ tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van € 2.000,-;

- veroordeelt CIZ in de proceskosten tot een bedrag van € 2.695,-;

- bepaalt dat CIZ het in beroep betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2015.




(getekend) H.J. de Mooij




(getekend) P. Boer



HD