Centrale Raad van Beroep, 03-06-2015 / 12-5203 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:1927

Inhoudsindicatie
Zorgindicatie. Continu verpleegkundig toezicht is niet noodzakelijk. De door de Raad geraadpleegde deskundige onderschrijft het standpunt van CIZ.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-03
Publicatiedatum
2015-06-22
Zaaknummer
12-5203 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/5203 AWBZ, 12/5204 AWBZ, 12/5205 AWBZ

Datum uitspraak: 3 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van

9 augustus 2012, 10/50, 11/284 en 11/365 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CIZ



PROCESVERLOOP

Namens appellant, wettelijk vertegenwoordigd door zijn ouders B. Boelens en

E.C.C. Boelens-van der Knoop, heeft mr. G.J.A. van Dijk, hoger beroep ingesteld.


CIZ heeft een verweerschrift ingediend.


Bij brief van 4 februari 2013 heeft mr. R.P.M. Janse van Mantgem, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.


Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2013, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn ouders en mr. Janse van Mantgem. Namens CIZ zijn verschenen mr. I.C.J.G. van Maris-Kindt en M.G.S. Ebbens.


De Raad heeft het onderzoek heropend en als deskundige dr. J.P. Rake benoemd. Deze heeft op 8 juni 2014 rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport ingezonden. De deskundige heeft vervolgens desgevraagd op die reacties gereageerd met een aanvullend rapport van 26 oktober 2014.


Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 22 april 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn vader en mr. Janse van Mantgem. CIZ heeft zich wederom laten vertegenwoordigen door mr. Van Maris-Kindt en Ebbens.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant, geboren in 1997, is bekend met glycolgeenstapelingsziekte type 1a (ziekte van Von Gierke). Daarnaast heeft hij een ernstig perceptief gehoorverlies.


1.2.

CIZ heeft bij besluiten van 27 februari 2008, 2 augustus 2010, 27 december 2010 en

7 april 2011 aan appellant indicaties verleend op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Appellant heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Bij beslissingen op bezwaar van 22 december 2009, 4 april 2011 en 16 mei 2011 (bestreden besluiten) heeft CIZ indicaties afgegeven voor de zorgfuncties verpleging, persoonlijke verzorging en (tot

1 januari 2009) ondersteunende begeleiding algemeen en ondersteunende begeleiding dag en (vanaf 1 januari 2009) begeleiding individueel en begeleiding groep. Appellant heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep uitsluitend gekeerd tegen de aan de bestreden besluiten ten grondslag liggende en door de rechtbank onderschreven overweging dat - kort samengevat - continu verpleegkundig toezicht niet noodzakelijk is.



4. Gelet op de door partijen - met stukken van medische aard onderbouwde - ingenomen standpunten heeft de Raad de deskundige Rake benoemd voor het instellen voor een onderzoek.


4.1.

Rake concludeert ten aanzien van de vraag die partijen verdeeld houdt in zijn rapport het volgende:


“Gezien de leeftijd van betrokkene in de periode 2008-2011 (11-14 jaar), zijn ‘instabielere’ glycogeenstapelingsziekte type 1a en zijn communicatiestoornis t.g.v. zijn doofheid, is om een adequate en veilige behandeling te kunnen waarborgen gedurende 24/7 continue aanwezigheid van een (volwassen) persoon in de directe nabijheid (in dezelfde ruimte of i.i.g. in een ruimte zeer nabij) noodzakelijk…

Constant toezicht is niet noodzakelijk en gezien de leeftijd van de betrokkene m.i. zelfs ongewenst omdat dit zijn ontwikkeling naar zelfstandigheid kan schaden….

De persoon in de directe nabijheid moet in ieder geval in staat zijn om met betrokkene te kunnen communiceren…De persoon moet bekend zijn met het ziektebeeld …en het vereiste dieet. De persoon moet samen met betrokkene aanpassingen in het dieet kunnen doen bij bijzondere activiteiten, zoals sporten. De persoon moet in staat zijn factoren die de bloed glucose concentratie kunnen verstoren te herkennen. Hiertoe kan hij bv de educatiemap ‘Prettig leven met Glycogeen Stapelingsziekte type I’ alsmede het zorgplan Glycogeenstapelingsziekte type 1 van de VKS bestuderen en geïnstrueerd worden door een verpleegkundige en ouders. Hiertoe kan i.p. ieder volwassen persoon …geïnstrueerd worden…

De persoon in de directe nabijheid hoeft dus geen verpleegkundige achtergrond te hebben; wel moet de persoon geschoold zijn en goed te weten wat te doen bij calamiteiten.”


4.2.

In zijn reactie van 26 oktober 2014 is de deskundige ingegaan op de opmerkingen van appellant op het rapport van 8 juni 2014. De deskundige heeft in die nadere reactie zijn standpunt dat de geïnstrueerde personen in de nabijheid geen verpleegkundige achtergrond nodig hebben, op inzichtelijke wijze uiteengezet waarom de opmerkingen van appellant hem niet tot een ander standpunt leiden dan weergegeven in 4.1.


4.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier wat betreft het rapport van deskundige Rake voor. In het rapport is op overzichtelijke wijze vermeld welke informatie de deskundige bij zijn standpuntbepaling heeft betrokken en op inzichtelijke wijze uiteengezet op basis van welke gegevens en overwegingen hij tot zijn standpunt is gekomen.


4.4.

Overigens heeft appellant niet met medische gegevens onderbouwd dat en waarom de conclusies die Rake in het rapport van 8 juni 2014 heeft getrokken onjuist zouden zijn.


4.5.

Gelet op wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat CIZ terecht geen continu verpleegkundig toezicht noodzakelijk heeft geacht en treft het hoger beroep, zoals weergegeven in overweging 3, geen doel.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2015.



(getekend) J. Brand




(getekend) J.C. Hoogendoorn




RB