Centrale Raad van Beroep, 20-05-2015 / 12-4284 WSF


ECLI:NL:CRVB:2015:1928

Inhoudsindicatie
De minister heeft het bestreden besluit eerst bij brief van 19 augustus 2014 nader gemotiveerd. Zonder deze motivering was dit besluit niet voldoende begrijpelijk. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De bij brief van 19 augustus 2014 gegeven motivering is toereikend, zodat de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen worden gelaten. De redelijke termijn is wegens te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase met bijna een jaar overschreden, dat leidt tot een schadevergoeding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-05-20
Publicatiedatum
2015-06-19
Zaaknummer
12-4284 WSF
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/4284 WSF

Datum uitspraak: 20 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 juni 2012, 10/1478, 10/1484 en 11/1183 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

de Staat der Nederlanden, ministerie van Veiligheid en Justitie (Staat)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2014. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

De Raad heeft vervolgens op 25 april 2014 uitspraak gedaan in de hoger beroepen, geregistreerd onder de nummers 12/4283 WSF en 12/4285 WSF. In de zaak 12/4284 WSF is het onderzoek heropend, teneinde de minister in de gelegenheid te stellen het besluit van

31 juli 2010 (bestreden besluit) van een nadere toelichting te voorzien.

Bij brief van 19 augustus 2014 heeft de minister het bestreden besluit nader toegelicht.

Bij brief van 1 september 2014 heeft appellant de Raad verzocht de Staat der Nederlanden en/of minister te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter.

Naar aanleiding van het verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

De Raad heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer, die het onderzoek heeft gesloten op 24 oktober 2014.

Partijen hebben toestemming gegeven zonder nadere zitting uitspraak te doen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Bij besluit van 5 juni 2010 heeft de minister een vordering wegens meerinkomen omgezet in een lening en aan appellant meegedeeld dat het schuldsaldo van die lening op dat moment

€ 3.299,01 bedraagt.


1.2.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.


1.3.

Bij het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Wel is het schuldsaldo bij dat besluit verlaagd tot € 3.055,60.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans nog van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft in hoger beroep, voor zover hier van belang, betoogd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat niet inzichtelijk is op welke wijze de in het besluit vermelde schuld is berekend. Ten onrechte heeft de rechtbank de hierop betrekking hebbende beroepsgronden niet besproken en zij heeft het bestreden besluit ten onrechte in stand gelaten.


4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Het betoog van appellant slaagt. De minister heeft het bestreden besluit eerst bij brief van 19 augustus 2014 nader gemotiveerd. Zonder deze motivering was dit besluit niet voldoende begrijpelijk. Appellant heeft daarover terecht beroepsgronden voorgedragen. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Dat betekent dat zij het bestreden besluit ten onrechte in stand heeft gelaten. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover deze betrekking heeft op het bestreden besluit.


4.2.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Nu de bij brief van 19 augustus 2014 gegeven motivering toereikend is, is er aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.


5.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend in verband met het verzoek om schadevergoeding dat appellant heeft gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daarbij is de Staat als partij in het geding aangemerkt. Het verzoek om schadevergoeding, dat door de rechtbank is geregistreerd onder nummer 12/935, is op 12 november 2012 door appellant ingetrokken.


5.2.

Betrokkene heeft (ook) in hoger beroep verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.


5.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.


5.4.

Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door de minister op 23 mei 2010 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn bijna vijf jaren verstreken. De minister heeft de behandelingsduur in de bestuurlijke fase niet overschreden. Er is wel sprake van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, nu deze meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Er is geen aanleiding de redelijke termijn voor de procedure als geheel te stellen op een andere termijn dan vier jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn met bijna een jaar is overschreden. Dat leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-. Van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, is niet gebleken.


6.1.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de Staat der Nederlanden moet worden veroordeeld tot vergoeding van de door appellant geleden schade tot een bedrag van € 1.000,-.


6.2.

Van meer proceskosten van appellant dan waarin de minister reeds is veroordeeld bij uitspraak van de Raad van 25 april 2014 is niet gebleken.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het besluit van 31 juli 2010;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 31 juli 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;
  • - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • - veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-.


Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2015.




(getekend) H.J. de Mooij




(getekend) P. Boer




JL