Centrale Raad van Beroep, 17-06-2015 / 13-3919 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:1946

Inhoudsindicatie
Herziening WW-uitkering. Maatregel. Terugvordering. Boete. Appellant verbleef op vrijdag anders dan voor vakantie in het buitenland en had over die dag geen recht had op uitkering. Dat appellant voordat hij werkloos werd gewend was van maandag tot en met donderdag te werken, zodat hij de vrijdag ter vrije besteding had, maakt dit niet anders. Artikel 30, vijfde lid, van de WW bepaalt dat de uitkering wordt uitbetaald over vijf dagen per week. Over een van deze vijf dagen, de vrijdag, en dus over 6,4 uren had appellant geen recht op uitkering. Het Uwv heeft over deze uren onverschuldigd betaald. Geen dringende redenen gelegen om van terugvordering af te zien. Appellant heeft zijn inschrijving als werkzoekende bij Uwv Werkbedrijf niet tijdig verlengd. Geen sprake van verminderde verwijtbaarheid. Appellant heeft verzuimd aan het Uwv mee te delen dat hij op vrijdag in het buitenland verbleef, terwijl hem redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat dit van invloed zou kunnen zijn op zijn recht op uitkering. De boete van € 180,- is evenredig.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-17
Publicatiedatum
2015-06-22
Zaaknummer
13-3919 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/3919 WW, 14/1145 WW

Datum uitspraak: 17 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

13 juni 2013, 12/581 en 12/2693 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door G.A. de Vries. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant heeft tot 1 november 2008 32 uur per week, van maandag tot en met donderdag, gewerkt bij het toenmalige Centrum voor Werk en Inkomen (CWI). Met ingang van 3 november 2008 heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Het Uwv heeft deze uitkering gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 32 per week.


1.2.

Appellant is eigenaar van een zeeschip. Vanaf juli 2008 heeft dit schip in Denemarken gelegen voor herstelwerkzaamheden. In verband hiermee is appellant wekelijks op vrijdag naar Denemarken vertrokken, om op zondag terug te keren naar Nederland. Nadat de werkzaamheden in Denemarken waren afgerond heeft appellant het schip in juni 2009 teruggevaren naar Nederland.


1.3.

Op 18 augustus 2010 is de inschrijving als werkzoekende van appellant bij Uwv Werkbedrijf verlopen. Appellant heeft deze inschrijving pas op 5 juli 2011 vernieuwd.


1.4.

In 2011 en 2012 heeft het Uwv een aantal primaire besluiten en beslissingen op bezwaar genomen over het recht op een WW-uitkering van appellant, een maatregel in verband met het niet tijdig verlengen van zijn inschrijving als werkzoekende, hiermee samenhangende terugvorderingen en een boete in verband met schending van de inlichtingenplicht. Deze besluiten vormen een complex geheel, aangezien zij deels dienen ter vervanging van eerdere besluiten en/of van elkaar, deels in onderlinge samenhang moeten worden gelezen. Soms is in een stuk zowel een primair besluit over een onderwerp als een besluit op bezwaar over een ander onderwerp opgenomen. Voor een volledig overzicht van deze besluiten wordt verwezen naar de rubriek procesverloop van de aangevallen uitspraak.


2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich gedetailleerd uitgelaten over alle betrokken besluiten, met uitzondering van een besluit van 3 oktober 2013, dat is genomen na de aangevallen uitspraak. Materieel komt de uitspraak, samengevat, op het volgende neer.


2.1.

Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat appellant op vrijdag in het buitenland verbleef, anders dan voor vakantie en dat appellant over die dag geen recht had op uitkering. Uitgaande van een uitkering voor 32 uur over vijf dagen heeft appellant dus voor 6,4 uur per week teveel aan uitkering ontvangen. Het Uwv heeft de uitkering daarom terecht over de periode van

3 november 2008 - datum ingang WW-uitkering - tot en met 28 juni 2009 - terugkeer met schip naar Nederland - herzien en voorts op goede gronden besloten dat over die uren onverschuldigd uitkering is betaald. Het Uwv was verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Nu niet is gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien is de onverschuldigd betaalde uitkering naar het oordeel van de rechtbank terecht van appellant teruggevorderd. Het terugvorderingsbedrag heeft de rechtbank gesteld op

€ 3.689,79.


2.2.

Appellant heeft tegenover de rechtbank erkend op de hoogte te zijn van de verplichting zich bij Uwv Werkbedrijf in te schrijven als werkzoekende en gesteld dat het hem ontschoten is dit te doen. Niet gebleken is van een dringende reden op grond waarvan van het opleggen van een maatregel zou moeten worden afgezien. Ook is niet gebleken van verminderde of ontbrekende verwijtbaarheid. Het Uwv heeft in verband met het niet tijdig verlengen van de inschrijving als werkzoekende terecht en op goede gronden een maatregel ter hoogte van een korting van 30% op de uitkering gedurende vier maanden, lopend van 1 september 2010 tot en met 31 december 2010, opgelegd. Het gaat hier om een bedrag van € 3.161,58. Op het bezwaar tegen de terugvordering van de als gevolg van de deze maatregel onverschuldigd betaalde uitkering moet nog worden beslist door het Uwv.


2.3.

Appellant heeft verzuimd aan het Uwv mee te delen dat hij vanaf juli 2008 op vrijdag in het buitenland verbleef, terwijl hem redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat dit van invloed zou kunnen zijn op zijn recht op uitkering. In verband hiermee is een boete van

€ 180,- wegens overtreding van de inlichtingenverplichting aangewezen.


3. Zoals bij de aangevallen uitspraak opgedragen heeft het Uwv alsnog beslist op het bezwaar tegen de terugvordering van de als gevolg van de maatregel wegens het niet tijdige verlengen van de inschrijving als werkzoekende onverschuldigd betaalde uitkering. Bij het besluit van

3 oktober 2013 heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit maakt gelet op artikel 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht onderdeel uit van het geding in hoger beroep.


4.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij tegenover het Uwv van meet af aan heeft vermeld dat hij op vrijdag naar Denemarken vertrok. Bovendien had appellant lange tijd - en ook laatstelijk voor het intreden van zijn werkloosheid - van maandag tot en met donderdag gewerkt. Het weekend liep daarom voor hem van vrijdag tot en met zondag. Volgens appellant waren er dringende redenen om van terugvordering af te zien. Deze dringende redenen waren gelegen in zijn inkomensachteruitgang als gevolg van de beëindiging van zijn werk voor het CWI en de daardoor ontstane betalingsproblemen.


4.2.

Appellant heeft erkend dat hij zijn inschrijving als werkzoekende bij Uwv Werkbedrijf niet tijdig heeft verlengd. Hij acht de hoogte van de in verband daarmee opgelegde maatregel echter niet redelijk omdat hij door het Uwv niet op zijn verzuim is gewezen. Verder heeft hij gesteld dat hij door het niet tijdig verlengen van zijn inschrijving geen kansen heeft gemist; hij werkte hard aan het verkrijgen van (vervolg)opdrachten.


4.3.

De boete in verband met het verzuim te melden dat hij op vrijdag in het buitenland verbleef had volgens appellant in verband met dringende redenen, gelegen in zijn financiële situatie, op nul moeten worden gesteld.


4.4.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Voor tot van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak onder 4.


5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de relevante periode op vrijdag naar Denemarken vertrok in verband met de herstelwerkzaamheden aan zijn schip. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht het standpunt van het Uwv onderschreven dat appellant op vrijdag anders dan voor vakantie in het buitenland verbleef en over die dag geen recht had op uitkering. Dat appellant voordat hij werkloos werd gewend was van maandag tot en met donderdag te werken, zodat hij de vrijdag ter vrije besteding had, maakt dit niet anders. Artikel 30, vijfde lid, van de WW bepaalt dat de uitkering wordt uitbetaald over vijf dagen per week. De wetgever heeft geen bijzondere, van deze algemene bepaling afwijkende regeling getroffen voor personen die vóór het intreden van hun werkloosheid op minder dan vijf dagen plachten te werken. De 32 uren daarom die appellant per week werkte moeten dus voor de toepassing van de WW worden verdeeld over vijf dagen wat in het geval van appellant betekent dat de WW-uitkering per dag werd betaald naar 6.4 uur. Over een van deze vijf dagen, de vrijdag, en dus over 6,4 uren had appellant geen recht op uitkering. Het Uwv heeft over deze uren onverschuldigd betaald en was daarom op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen.


5.3.

Tegen het teruggevorderde bedrag als zodanig heeft appellant geen gronden aangevoerd. Wel heeft hij aangevoerd dat sprake was van dringende redenen om van terugvordering af te zien.


5.4.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 11 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1280) kunnen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de financiële of sociale consequenties die een terugvordering voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden.


5.5.

Voor zijn gestelde financiële problemen heeft appellant slechts verwezen naar de inkomensachteruitgang als gevolg van het eindigen van zijn contract met het CWI en de blokkering van zijn uitkering in 2010. Van onaanvaardbare financiële of sociale consequenties van de terugvordering die hier aan de orde is en die pas geruime tijd na 2010 heeft plaatsgevonden, is niet gebleken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn dan ook geen dringende redenen gelegen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.


5.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant zijn inschrijving als werkzoekende bij Uwv Werkbedrijf niet tijdig heeft verlengd. Appellant heeft zijn inschrijving pas verlengd nadat hij op 1 juli 2011 door een voor het Uwv werkzame inspecteur op zijn verzuim is gewezen. Het is de verantwoordelijkheid van de uitkeringsgerechtigde te zorgen dat zijn inschrijving op orde is. Dat het Uwv appellant niet eerder dan op 1 juli 2011 op zijn verzuim heeft gewezen maakt niet dat sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid of van verminderde verwijtbaarheid aan de zijde van appellant. Of appellant door zijn verzuim de inschrijving als werkzoekende tijdig te verlengen kansen heeft gemist is niet relevant. Het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken van verminderde of ontbrekende verwijtbaarheid en dat evenmin sprake is van een dringende reden op grond waarvan van het opleggen van een maatregel zou moeten worden afgezien, wordt dan ook gevolgd.

5.7.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellant heeft verzuimd aan het Uwv mee te delen dat hij vanaf juli 2008 op vrijdag in het buitenland verbleef, terwijl hem redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat dit van invloed zou kunnen zijn op zijn recht op uitkering. De rechtbank heeft een boete van € 180,- in overeenstemming geacht met de ernst van de gedraging en de mate waarin deze appellant kan worden verweten. Ook dit oordeel wordt gevolgd. In de algemene opmerkingen van appellant over financiële tegenslagen is geen reden gelegen om de boete, zoals door appellant bepleit, op nihil te stellen. De boete van

€ 180,- is evenredig.


5.8.

Tegen het besluit van 3 oktober 2013 zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd.


5.9.

Hetgeen in 5.1 tot en met 5.8 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd en het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2013 dient ongegrond te worden verklaard.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2013 ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) J.R. van Ravenstein




JvC