Centrale Raad van Beroep, 18-06-2015 / 14-588 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1953

Inhoudsindicatie
Aanvraag bijstand. Ingangsdatum. Geen grond voor het oordeel dat de binnen de zoekperiode van vier weken ingediende aanvragen van appellanten van 30 juni 2012 niet als aanvragen om bijstand als bedoeld in artikel 41 van de WWB kunnen worden aangemerkt. Dat de aanvragen om bijstand van 30 juni 2012 onvolledig waren, onder meer omdat deze nog moesten worden ondertekend, betekent niet dat er geen aanvragen om bijstand tot stand zijn gekomen. Het college heeft dan ook ten onrechte toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 44, derde lid, van de WWB, nu niet gesteld kan worden dat appellanten niet zo spoedig mogelijk na de melding een aanvraag hebben ingediend. Dit betekent dat het college ten onrechte eerst met ingang van 21 augustus 2012 bijstand aan appellanten heeft toegekend. De Raad ziet aanleiding om de besluiten te herroepen voor zover het de ingangsdatum van de toegekende bijstand betreft en deze datum vast te stellen op 30 juni 2012. Wettelijke rente.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-18
Publicatiedatum
2015-06-22
Zaaknummer
14-588 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/245
  • NJB 2015/1357
  • RSV 2015/177 met annotatie van L. op den Camp, K. Mestrom
  • USZ 2015/267 met annotatie van H.W.M. Nacinovic
Uitspraak

14/588 WWB, 14/591 WWB

Datum uitspraak: 18 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 7 januari 2014, 13/2926 en 13/2925 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Best (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.T. Bosch hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2015. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Bosch. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Matheeusen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten, beiden geboren [in] 1987, hebben zich op 30 juni 2012 digitaal gemeld bij het UWV Werkbedrijf voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellanten hebben op diezelfde datum digitaal aanvragen om bijstand ingediend, waarvan de ontvangst bij e-mailberichten van 30 juni 2012 is bevestigd.


1.2.

Op 3 juli 2012 hebben appellanten telefonisch contact gehad met het UWV Werkbedrijf en is aan hen medegedeeld dat een zoekperiode geldt en dat zij zich daarna dienen te melden. Appellanten hebben in datzelfde gesprek kenbaar gemaakt dat zij van 27 juli 2012 tot en met 7 augustus 2012 in verband met hun vakantie in het buitenland verblijven.


1.3.

Appellanten hebben op 21 augustus 2012 wederom contact opgenomen met het UWV Werkbedrijf. Bij besluiten van 5 november 2012 en 12 november 2012 heeft het college vervolgens aan appellanten met ingang van 21 augustus 2012 bijstand toegekend.


1.4.

Bij besluiten van 19 maart 2013 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de ingangsdatum van de toegekende bijstand ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Aan appellanten was een zoekperiode opgelegd. Zij hebben nagelaten zich meteen na die zoekperiode te melden bij het UWV Werkbedrijf. Ook hebben appellanten zich niet meteen na terugkomst van hun vakantie op

8 augustus 2012 gemeld. Appellanten hebben zich zeven weken na het indienen van de aanvraag gemeld. Door zich pas op 21 augustus 2012 opnieuw te melden, hebben appellanten dat niet zo spoedig mogelijk na afloop van de zoekperiode gedaan. Daarom heeft het college de ingangsdatum van de bijstand met toepassing van artikel 44, derde lid, van de WWB bepaald op 21 augustus 2012.


2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat appellanten jonger zijn dan 27 jaar en dat, gelet op het bepaalde in artikel 41, vierde lid, van de WWB, voor hen een wachttijd van vier weken geldt voordat een aanvraag om bijstand kan worden ingediend. Anders dan appellanten menen, is de aanvraag daarom niet reeds bij de melding op 30 juni 2012 ingediend. Door zich pas op 21 augustus 2012 opnieuw te melden voor een bijstandsuitkering hebben appellanten de aanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de WWB.


3.1.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Appellanten stellen dat aan hen met ingang van 30 juni 2012 bijstand dient te worden toegekend, omdat zij reeds op die datum aanvragen om bijstand hebben ingediend. Het bepaalde in artikel 44, derde lid, van de WWB is daarom niet van toepassing. Appellanten hebben verder gewezen op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 41 van de WWB (Kamerstukken II 2010/11, 32 815, nr. 3, blz. 59), waaruit blijkt dat een aanvraag om bijstand ook binnen de zoekperiode van vier weken kan worden ingediend. Appellanten hebben tevens verzocht het college te veroordelen tot schadevergoeding, bestaande uit de wettelijke rente over na te betalen bijstand.


3.2.

Het college heeft in verweer de aangevallen uitspraak onderschreven en zich op het standpunt gesteld dat appellanten op 30 juni 2012 geen aanvraag om bijstand konden indienen. Ingevolge artikel 41, vierde lid, van de WWB geldt voor hen immers een zoekperiode van vier weken, binnen welke periode geen aanvraag om bijstand kan worden ingediend.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

In artikel 41, eerste lid, eerste volzin, van de WWB is bepaald dat de aanvraag - om bijstand - is gericht tot het college en wordt ingediend bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). In artikel 41, vierde lid, van de WWB, zover hier van belang, is bepaald dat een aanvraag van algemene bijstand die ziet op alleenstaanden jonger dan 27 jaar niet eerder wordt ingediend dan vier weken na de melding, bedoeld in artikel 44, en niet eerder dan vier weken na die melding door het college in behandeling wordt genomen.


4.1.2.

Op grond van artikel 44, eerste lid, van de WWB wordt bijstand toegekend vanaf de dag van melding, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Het tweede lid bepaalt wanneer van een melding bij het Uwv of bij het college kan worden gesproken. Het derde lid van dit artikel biedt de mogelijkheid dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten is.


4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten op 30 juni 2012 (onvolledige) aanvragen om bijstand hebben ingediend. Daarmee staat vast dat appellanten, die jonger zijn dan 27 jaar, binnen de ingevolge artikel 41, vierde lid, van de WWB voor hen geldende zoekperiode van vier weken aanvragen om bijstand hebben ingediend. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of een jongere binnen die zoekperiode een aanvraag om bijstand kan (cursivering Raad) indienen.


4.3.

Anders dan de rechtbank en het college in hoger beroep hebben aangenomen, staat het bepaalde in artikel 41, vierde lid, van de WWB niet in de weg aan het indienen van een aanvraag om bijstand tijdens de zoekperiode. Dit volgt allereerst niet uit de tekst van

artikel 41, vierde lid, van de WWB, waarin is bepaald dat bij een melding om bijstand door een persoon jonger dan 27 jaar een aanvraag van bijstand niet eerder dan vier weken na de melding wordt (cursivering Raad) ingediend en behandeld. Verder blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling dat jongeren ook gedurende de zoekperiode een aanvraag om bijstand kunnen indienen. Zo is in de memorie van toelichting bij artikel 41, vierde lid, van de WWB opgemerkt dat indien de aanvraag van een persoon jonger dan 27 jaar eerder is gedaan dan na afloop van de zoekperiode van vier weken, voor het college de mogelijkheid bestaat een maatregel op te leggen of de aanvraag niet in behandeling te nemen (Kamerstukken II 2010/11, 32 815, nr. 3, blz. 3). Voorts blijkt uit de memorie van toelichting dat de wetgever voor ogen heeft gehad dat in geval een aanvraag om algemene bijstand binnen de zoekperiode is ingediend, het college zal constateren dat hij over te weinig gegevens beschikt om het recht op bijstand vast te stellen. Immers, op grond van artikel 43, vierde lid, van de WWB dient het college bij de vaststelling van het recht op bijstand rekening te houden met de gedragingen en houding van de jongere gedurende de zoekperiode van vier weken na de melding. Aangezien de aanvraag eerder dan vier weken na de melding is ingediend, heeft het college te weinig gegevens om de gedragingen en de houding van de jongere gedurende die vier weken te beoordelen. De jongere zal dan de gelegenheid worden geboden om zijn gegevens aan te vullen (Kamerstukken II 2010/11, 32 815, nr. 3, blz. 59).


4.4.

Uit 4.3 volgt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de binnen de zoekperiode van vier weken ingediende aanvragen van appellanten van 30 juni 2012 niet als aanvragen om bijstand als bedoeld in artikel 41 van de WWB kunnen worden aangemerkt. Dat de aanvragen om bijstand van 30 juni 2012 onvolledig waren, onder meer omdat deze nog moesten worden ondertekend, betekent - anders dan de gemachtigde van het college ter zitting heeft gesteld - niet dat er geen aanvragen om bijstand als hiervoor bedoeld tot stand zijn gekomen. Het college heeft dan ook ten onrechte toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 44, derde lid, van de WWB, nu niet gesteld kan worden dat appellanten niet zo spoedig mogelijk na de melding een aanvraag hebben ingediend. Dit betekent dat het college ten onrechte eerst met ingang van 21 augustus 2012 bijstand aan appellanten heeft toegekend.


4.5.

De rechtbank heeft wat in 4.3 en 4.4 is overwogen niet onderkend. De aangevallen uitspraken komen daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad de beroepen gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen.


4.6.

Vervolgens moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. Daartoe is het volgende van belang. Vaststaat dat de aanvragen van appellanten hebben geleid tot toekenning van bijstand. De gemachtigde van het college heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat aan appellanten met ingang van 30 juni 2012 bijstand zou zijn verleend, indien zij zich zo spoedig mogelijk na hun vakantie zouden hebben gemeld. De Raad ziet hierin aanleiding om de besluiten van 5 november 2012 en 12 november 2012 te herroepen voor zover het de ingangsdatum van de toegekende bijstand betreft en deze datum vast te stellen op 30 juni 2012.


5. Het verzoek van appellanten om het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bijstand komt voor toewijzing in aanmerking. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.


6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden, nu de zaken als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden beschouwd, begroot op € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraken;

- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 19 maart 2013 gegrond en vernietigt die

besluiten;

- herroept de besluiten van 5 november 2012 en 12 november 2012, voor zover het de

ingangsdatum van de verleende bijstand betreft, stelt deze datum vast op 30 juni 2012 en

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van

19 maart 2013;

- veroordeelt het college tot vergoeding aan appellanten van schade in de vorm van wettelijke

rente zoals onder 5 vermeld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 332,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en W.H. Bel en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2015.




(getekend) W.F. Claessens




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD