Centrale Raad van Beroep, 18-06-2015 / 14-2379 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1956

Inhoudsindicatie
Voorwaardelijk strafontslag. Straf van plaatsing voor onbepaalde tijd en met vermindering van bezoldiging in een functie die een functieschaal lager is dan zijn oude functie. Plichtsverzuim bestaande tijdfraude. De opgelegde disciplinaire straf is evenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-18
Publicatiedatum
2015-06-22
Zaaknummer
14-2379 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2379 AW

Datum uitspraak: 18 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

21 maart 2014, 13/5110 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.G.M. Gersjes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. M.T.J.H. Berns, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gersjes. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Berns, ing. J.G. Drabbels en C.M.A. Cuypers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als bouwtechnisch medewerker in een buitendienstfunctie bij de gemeente Geldrop-Mierlo. Op dertien dagen, gelegen in de periode tussen 22 augustus 2012 en 11 januari 2013, heeft appellant op tijdstippen gelegen tussen 9.29 uur en 14.48 uur ingeklokt met ‘dienstreis’. In januari 2013 heeft een senior medewerker aan appellant gevraagd om het doel van die dienstreizen aan te geven en de aanvangstijdstippen van de dienstafspraken te vermelden. Nadat appellant het doel en de aanvangstijdstippen had opgegeven, is vastgesteld dat appellant de aanvangstijdstippen van die dienstafspraken in zijn digitale agenda had gewijzigd.


1.2.

In een gesprek op 19 maart 2013 is aan appellant meegedeeld dat een ernstig vermoeden bestaat dat hij niet integer heeft gehandeld, onder meer wat betreft het inklokken en de registratie van werktijd. Appellant is met onmiddellijke ingang ontheven van zijn werkverplichting en hem is meegedeeld dat een onderzoek zal worden uitgevoerd door een externe partij. Op dezelfde dag is dit schriftelijk aan appellant bevestigd.


1.3.

Het college heeft aan Hoffmann bedrijfsrecherche (Hoffmann) de opdracht gegeven te onderzoeken of bij appellant sprake was van tijdfraude. Op 2 april 2013 hebben medewerkers van Hoffmann gesproken met appellant. Op 15 april 2013 heeft Hoffmann rapport uitgebracht.


1.4.

Na een voornemen van 7 mei 2013, gevolgd door een schriftelijke zienswijze van appellant, heeft het college appellant bij besluit van 27 mei 2013 de disciplinaire straf van voorwaardelijk strafontslag opgelegd, alsmede de straf van plaatsing voor onbepaalde tijd en met vermindering van bezoldiging in de functie van ondersteunend bouwtechnisch medewerker (vakspecialist D). De disciplinaire straf berust op de volgende in het rapport van Hoffmann vastgestelde gedragingen:

- appellant heeft bewust in strijd met de voorschriften bij herhaling na 8.30 uur met dienstreis ingeklokt, zodat voor de berekening van zijn werktijd 8.30 uur als aanvangstijdstip gold;

- nadat appellant was gevraagd daarover uitleg te verschaffen, heeft hij afspraken geregistreerd in de digitale werkagenda, die niet hebben plaatsgevonden;

- appellant heeft in de digitale werkagenda aanvangstijdstippen van dienstafspraken gewijzigd, zodat die (alsnog) overeenkwamen met de geregistreerde kloktijden;

- bij herhaling is appellant tijdens werktijd naar de tandarts gegaan, terwijl tandartsbezoeken in de eigen tijd dienen plaats te vinden;

- op 18 december 2012 heeft appellant tijdens werktijd aan een kerstlunch deelgenomen, terwijl dat in de eigen tijd diende te gebeuren.

1.5.

Het tegen het besluit van 27 mei 2013 gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 september 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van dit oordeel op de hierna te bespreken beroepsgronden bestreden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant stelt dat het college het goed werkgeverschap heeft geschonden door hem te verplichten mee te werken aan het onderzoek door Hoffmann, waardoor hij in de situatie is gebracht mee te werken aan zijn eigen disciplinaire bestraffing. Hij is door Hoffmann niet op zijn zwijgrecht gewezen en hij heeft zijn verklaring onder druk afgelegd. Daarom moet die verklaring volgens appellant buiten beschouwing blijven. Hij beroept zich daarbij op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 21 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3772. Appellant stelt voorts dat een tenlastelegging heeft ontbroken voorafgaand aan het horen door Hoffman, verwijzend naar de uitspraak van de Raad van 12 maart 1991, ECLI:NL:CRVB:1991:AL7964. De rechtbank heeft volgens appellant ten onrechte overwogen dat hij de gelegenheid heeft gehad om zijn visie te geven op de bevindingen.


4.2.

Anders dan door appellant betoogd, volgt uit vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 16 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3371) en in de lijn met de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 september 2007, ECLI:NL:XX:2007:BC0960, dat een disciplinaire strafoplegging als hier aan de orde wegens plichtsverzuim niet kan worden aangemerkt als een strafvervolging in de zin van artikel 6 van het EVRM. Dat betekent dat appellant geen zwijgrecht toekwam. Op Hoffmann rustte daarom geen verplichting om appellant daarop te wijzen voorafgaand aan het gesprek op 2 april 2013. Dat op appellant tijdens het gesprek met Hoffmann ongeoorloofde druk is uitgeoefend, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat het college in de brief van

19 maart 2013 heeft opgenomen dat de ontheffing van de werkverplichting appellant niet ontslaat van zijn ambtelijke verplichtingen en hij zal moeten meewerken aan het onderzoek door een externe partij, betekent niet dat sprake was van een dergelijke situatie. Aangenomen kan worden dat appellant zich verplicht heeft gevoeld het gesprek met Hoffmann aan te gaan en de vragen te beantwoorden, maar uit de kort na ontvangst van het gespreksverslag opgestelde reactie door appellant, kan geenszins worden afgeleid dat hij op ongeoorloofde wijze onder druk is gezet.


4.3.

De beroepsgrond van appellant dat het college zich niet heeft gedragen als een goed werkgever als bedoeld in artikel 125ter van de Ambtenarenwet, door een extern onderzoeksbureau in te schakelen voor een feitenonderzoek, terwijl appellant een deugdelijke verklaring had kunnen geven, kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel, te weten dat de resultaten van het onderzoek niet aan het ontslagbesluit ten grondslag hadden mogen worden gelegd. Het college mocht onder de gegeven omstandigheden, ten behoeve van een objectieve feitenvaststelling en om te voorkomen dat verkeerde conclusies zouden worden getrokken, een nader onderzoek laten verrichten door een bureau dat gespecialiseerd is in fraudeonderzoek. Er was immers gebleken dat appellant in zijn digitale agenda tijden van afspraken had gewijzigd en enkele externe relaties hadden verklaard dat sommige afspraken van appellant niet overeenkwamen met hun agenda.


4.4.

Een tenlastelegging was voorafgaand aan het feitenonderzoek door Hoffmann niet vereist. In de brief van 19 maart 2013 was al een omschrijving gegeven van het vermoedelijke niet integere handelen waar een extern onderzoek naar zou worden verricht, te weten het inklokken en de registratie van werktijd, zodat appellant voorafgaand aan het gesprek op de hoogte was van het doel van het onderzoek door Hoffmann. De als plichtsverzuim ten laste gelegde feiten zijn vervolgens opgenomen in het voornemen tot strafoplegging van 7 mei 2013, waarna appellant in de gelegenheid is gesteld om zich daarover te verantwoorden overeenkomstig het bepaalde in artikel 16:1:3 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst. Hij heeft daarvan ook schriftelijk gebruik gemaakt. Het betoog van appellant dat hij niet tijdig een tenlastelegging heeft ontvangen en zich daarover niet heeft kunnen verantwoorden, slaagt daarom niet.


4.5.

Appellant heeft de feiten die als plichtsverzuim zijn aangemerkt op zichzelf genomen niet weersproken. Ten aanzien van het foutief inklokken met dienstreis bij aankomst op het werk heeft appellant gesteld dat hij zich daar niet van bewust is geweest, omdat een medewerker van personeelszaken had aangegeven voorafgaand aan een dienstreis in te klokken met ‘dienstreis’ en hij heeft gehandeld in overeenstemming met deze uitleg. Het college heeft toegelicht dat de voorschriften met betrekking tot het inklokken staan vermeld op het intranet. In Webtime kan elke medewerker zijn eigen uren raadplegen en daarbij laat het kloksysteem bij uitklokken het urensaldo zien, zodat dagelijks door de medewerkers kan worden vastgesteld hoeveel uren op het saldo zijn bijgeboekt. Dat een medewerker appellant zou hebben gezegd in te klokken met dienstreis bij binnenkomst op het kantoor voorafgaand aan de dienstreis, acht het college uitgesloten. Alleen in het geval in de ochtend vanuit huis direct op dienstreis wordt gegaan, wordt daarna bij terugkomst op de werkplek ingeklokt met dienstreis, waardoor als aanvangstijdstip 8.30 uur wordt geregistreerd. In de gevallen dat op dergelijke ochtenden de dienstafspraken later zijn aangevangen dan 8.30 uur, dient de medewerker een blauw briefje in te vullen om de werktijd te laten aanpassen in het systeem.


4.6.

Appellant heeft zijn stelling dat hij foutief is voorgelicht over het inklokken met dienstreis niet aannemelijk gemaakt. Ook overigens komt die stelling de Raad onaannemelijk voor, omdat inklokken met dienstreis bij aankomst op de werkplek voorafgaand aan het vertrek naar die dienstreis volstrekt onlogisch is in het licht van het kloksysteem. Bovendien heeft appellant de daardoor geregistreerde aanvangstijden van 8.30 uur niet gecorrigeerd met zogenaamde blauwe briefjes. Verder had appellant aan de registratie van zijn werktijd kunnen zien dat uren voorafgaand aan zijn dienstafspraak ten onrechte als werktijd worden geregistreerd. Gezien de wijze waarop de urenregistratie plaatsvond en gezien het feit dat die registratie voor appellant op diverse manieren controleerbaar was, is het ten onrechte inklokken van appellant met dienstreis terecht aangemerkt als plichtsverzuim.


4.7.

Het wijzigen van de aanvangstijden van de afspraken in de digitale agenda, met als doel die tijdstippen in overeenstemming te brengen met de tijden die waren geregistreerd doordat appellant bij binnenkomst onjuist had ingeklokt met dienstreis, is eveneens terecht aangemerkt als plichtsverzuim.


4.8.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bezoeken van de tandarts en de kerstlunch onder werktijd in het onderhavige geval plichtsverzuim oplevert en hij verwijst naar de overwegingen van de rechtbank.


4.9.

De aan appellant verweten gedragingen zijn daarmee vast komen te staan en niet is gebleken dat die gedragingen niet aan appellant kunnen worden toegerekend. Het college was dan ook bevoegd om hem wegens plichtsverzuim een disciplinaire straf op te leggen.


4.10.

Evenals de rechtbank heeft overwogen acht de Raad de opgelegde straf van voorwaardelijk strafontslag, alsmede de straf van plaatsing voor onbepaalde tijd en met vermindering van bezoldiging in de functie van ondersteunend bouwtechnisch medewerker (vakspecialist D) die een functieschaal lager is dan zijn oude functie, niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Appellant was werkzaam in een buitendienstfunctie waarin hij een grote mate van zelfstandigheid en bewegingsvrijheid had. Aan een dergelijke functionaris mogen hoge eisen van integriteit en geloofwaardigheid worden gesteld. Appellant heeft het in hem te stellen vertrouwen ernstig beschaamd, mede doordat hij het onjuiste klokgedrag heeft willen verhullen door het achteraf aanpassen van zijn agenda. Bovendien was appellant al eerder aangesproken op slordig en foutief klokgedrag, op het veelvuldig niet opnemen van verlofuren tijdens een periode van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en het zich niet houden aan de regels van ziekmelding, waarbij is gewaarschuwd voor mogelijke consequenties bij herhaling. Dat appellant nooit heeft beoogd extra uren te genereren omdat hij jaarlijks al het maximaal aantal verlofuren bijkocht en uren overhield, maakt dat niet anders. Dat plaatsing in functieschaal 7, gelet op de persoonlijke schaal 9 waarin appellant was geplaatst, feitelijk twee schalen lager uitpakte, maakt evenmin dat de opgelegde disciplinaire straf onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim.


4.11.

De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M.T. Boerlage en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2015.





(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) C.A.W. Zijlstra





HD