Centrale Raad van Beroep, 18-06-2015 / 14-95 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1957

Inhoudsindicatie
Weigering ongeval aan te merken als een dienstongeval. Ongeval tijdens deelname aan een estafetteloop. Uit de berichtgeving heeft appellante redelijkerwijs niet mogen afleiden dat zij verplicht was aan de IPOL-Challenge deel te nemen. De enkele mededeling dat de dag van de IPOL-Challenge haar eerste officiële werkdag was, is daarvoor niet voldoende. De vrees van appellante dat haar oncollegialiteit zou worden verweten als zij niet aan de IPOL-Challenge zou deelnemen en de omstandigheid dat zij morele druk heeft ervaren om wel deel te nemen, leiden evenmin tot de vaststelling dat sprake is van aan haar opgedragen werkzaamheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-18
Publicatiedatum
2015-06-22
Zaaknummer
14-95 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/95 AW

Datum uitspraak: 18 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

28 november 2013, 13/1006 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.D. Dane, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Dane. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.H.A. Nathans.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was werkzaam bij de politie. Met ingang van 1 september 2011 is zij aangesteld als senior informatievoorziening bij de dienst Internationale Politie Informatie (IPOL).


1.2.

Op haar eerste werkdag in de nieuwe functie heeft appellante deelgenomen aan de

IPOL-Challenge. Een van de onderdelen van dat evenement was een estafetteloop met hindernissen. Appellante is ten val gekomen bij het nemen van een van die hindernissen. Als gevolg daarvan heeft zij letsel aan haar linkerbeen opgelopen, waarvoor zij medisch is behandeld.


1.3.

Bij brief van 14 maart 2012 heeft appellante de korpschef verzocht het haar op

1 september 2011 overkomen ongeval aan te merken als een dienstongeval in de zin van artikel 54 in verbinding met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder z, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).


1.4.

Bij besluit van 22 augustus 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 januari 2013 (bestreden besluit), heeft de korpschef dat verzoek afgewezen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder z, van het Barp is bepaald dat in dit besluit onder dienstongeval wordt verstaan een ongeval, welk in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht en dat niet aan zijn schuld en onvoorzichtigheid is te wijten. Gelet hierop kan het appellante op 1 september 2011 overkomen ongeval niet als dienstongeval worden aangemerkt indien deelname aan de

IPOL-Challenge geen verplicht karakter had.


3.2.

De korpschef heeft op voor de Raad overtuigende wijze betoogd dat deelname aan de IPOL-Challenge niet verplicht was. In een e-mailbericht van 9 augustus 2012 heeft het plaatsvervangend hoofd van de dienst IPOL de verklaring van de teamleider van appellante bevestigd dat deelname aan de IPOL-Challenge niet verplicht was en dat de deelnemende ambtenaar vrij was te bepalen of en zo ja op welke wijze hij aan de activiteiten meedeed. Er is geen grond om deze verklaring in twijfel te trekken. Verder is van betekenis dat namens de korpschef ter zitting van de rechtbank is verklaard dat slechts een klein gedeelte (130 van

de 600-700) van de bij de dienst IPOL werkzame personen aan de IPOL-Challenge heeft deelgenomen en dat de anderen gewoon aan het werk zijn gegaan. Appellante heeft dat niet tegengesproken. De omstandigheid dat - anders dan in 2011 - in de uitnodiging voor de

IPOL-Challenge van 2012 is opgenomen dat deelname op eigen risico geschiedt, brengt ook niet mee dat deelname aan de IPOL-Challenge in 2011 verplicht was.


3.3.

De Raad volgt appellante niet in haar betoog dat zij er op goede gronden van mocht uitgaan dat voor haar deelname wel verplicht was. Op 8 augustus 2011 heeft de (toekomstige) teamleider van appellante haar per e-mail een flyer met een vooraankondiging van de

IPOL-Challenge op 1 september 2011 gestuurd. De tekst vermeldt: “Vooraankondiging! Hou je agenda vast vrij! Dienstleiding IPOL & aCCent presenteren …. IPOL-CHALLENGE sports, arts, sweets & intelligence Een middag voor denkers, doeners, creatieven en lekkerbekken.” De lezers worden opgeroepen een eigen team samen te stellen en dat op te geven. In het e-mailbericht heeft de (toekomstige) teamleider appellante meegedeeld dat

1 september 2011 meteen ook haar eerste officiële werkdag is en dat hij haar al heeft opgegeven voor zijn team. Op 22 augustus 2011 is per e-mail aan appellante bericht dat zij tijdens de IPOL-Challenge is ingedeeld in een team met de naam “De winnaars van vorig jaar” en dat iedereen is opgegeven voor de barbecue. In een bijlage wordt nadere informatie over het evenement verstrekt. Daarin is onder meer opgenomen dat de prestatie ondergeschikt is aan het plezierig samenzijn, de samenwerking en nadere kennismaking van medewerkers van de dienst IPOL. Uit deze berichtgeving heeft appellante redelijkerwijs niet mogen afleiden dat zij verplicht was aan de IPOL-Challenge deel te nemen. De enkele mededeling dat de dag van de IPOL-Challenge haar eerste officiële werkdag was, is daarvoor niet voldoende. De vrees van appellante dat haar oncollegialiteit zou worden verweten als zij niet aan de IPOL-Challenge zou deelnemen en de omstandigheid dat zij morele druk heeft ervaren om wel deel te nemen, leiden evenmin tot de vaststelling dat sprake is van aan haar opgedragen werkzaamheden.


3.4.

De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.


3.5.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2015.





(getekend) T.G.M. Simons




(getekend) B. Rikhof




HD