Centrale Raad van Beroep, 18-06-2015 / 12-6696 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:1959

Inhoudsindicatie
Het beroep is niet van gronden voorzien en is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. Geen proceskostenveroordeling: het gegeven dat onverplicht en bij wege van coulance is tegemoet gekomen, levert in beginsel niet een bijzondere omstandigheid op.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-18
Publicatiedatum
2015-06-25
Zaaknummer
12-6696 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6696 AW, 12/6697 AW

Datum uitspraak: 18 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 november 2012, 12/2198 en 12/207 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van [naam organisatie 1] (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2015. Appellante is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam gemachtigden]

[naam gemachtigden].

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is per 1 december 2009 aangesteld in vaste dienst bij [naam organisatie 1] als [functie 1]. Zij is bij indiensttreding aangewezen als [functie 2]

1.2.

Bij besluit van 31 mei 2010 heeft het dagelijks bestuur appellante per 1 juni 2010 op grond van artikel 8:8 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling/ Uitvoeringsovereenkomst (CAR/UWO) eervol ontslagen. Bij beslissing op bezwaar van

6 oktober 2010 heeft het dagelijks bestuur het ontslag gehandhaafd en appellante op grond van artikel 10d:4 van de CAR/UWO ter compensatie van het ontslag twee maandsalarissen toegekend. Bij uitspraak van 6 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:763) heeft de Raad de beslissing op bezwaar van 6 oktober 2010 vernietigd en het besluit van 31 mei 2010 herroepen.


1.3.

Naar aanleiding van het ontslag heeft appellante onder meer verzocht om uitbetaling van ADV-uren met wettelijke rente. Volgens appellante waren deze uren ten onrechte niet betrokken bij de eindafrekening. Bij besluit van 15 december 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 december 2011 (bestreden besluit 1), heeft het dagelijks bestuur dit verzoek afgewezen.

1.4.

Op 24 februari 2012 heeft het dagelijks bestuur aan appellante de salarisspecificatie over februari 2012 verzonden, waarbij haar, voor zover thans van belang, op basis van twee bruto maandsalarissen en de wettelijke inhoudingen een nettobedrag is verstrekt. Appellante heeft het uitbetaalde bedrag vervolgens teruggestort, omdat zij van mening was dat de uitbetaling diende te worden aangehouden tot na de uitspraak in hoger beroep in de ontslagzaak. Bij besluit van 14 mei 2012 (bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen de salarisspecificatie

niet-ontvankelijk verklaard. Aan de niet-ontvankelijkverklaring ligt ten grondslag dat de salarisspecificatie geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) behelst, omdat de salarisspecificatie slechts een bevestiging en uitvoering is van de beslissing op bezwaar van 6 oktober 2010 waarbij de twee brutosalarissen zijn toegekend.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van gronden. Verder heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.


Bestreden besluit 1


3.1.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb dient een beroepschrift ten minste de gronden van het beroep te bevatten. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan het beroep, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.


3.2.

Vaststaat dat appellante haar beroep tegen het bestreden besluit 1 niet van gronden heeft voorzien.

3.3.

De rechtbank heeft appellante bij brieven van 24 januari 2012, 9 februari 2012, 7 maart 2012, 2 mei 2012 en 5 juni 2012 verzocht om indiening van de gronden van het beroep binnen de in die brieven vermelde termijn. Appellante is erop gewezen dat het niet indienen van de gronden tot niet-ontvankelijkverklaring kan leiden. De stelling van appellante dat de rechtbank haar bij brief van 2 februari 2012 uitstel heeft verleend voor het indienen van gronden, treft geen doel. De rechtbank heeft immers bij brief van 2 mei 2012, onder verlening van een nadere termijn voor het indienen van de gronden, op heldere wijze uiteengezet dat het verleende uitstel betrekking had op de geplande zittingsdatum en niet op de indiening van de gronden. Het was appellante dan ook duidelijk, althans het had haar duidelijk moeten zijn, dat zij alsnog de gronden van het beroep diende in te dienen. De brief van 11 mei 2012, waarin appellante, in reactie op de brief van de rechtbank van 2 mei 2012, volhardt in haar standpunt dat het door de rechtbank verleende uitstel zag op de indiening van gronden en stelt ervan uit te gaan dat niet wordt overgegaan tot niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep, kan appellante niet baten. Appellante heeft naar eigen zeggen van de rechtbank immers in reactie hierop geen bericht ontvangen dat zij geen gronden hoefde in te dienen, zodat zij zich had dienen te richten naar de brief van 2 mei 2012. De rechtbank heeft haar bij aangetekende brief van 5 juni 2012 een laatste uitstel voor het indienen van de gronden verleend en heeft haar vervolgens uitgenodigd voor de zitting van 26 oktober 2012. De rechtbank heeft van appellante echter geen gronden meer ontvangen en appellante is ter zitting van de rechtbank niet verschenen. De rechtbank heeft het beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat appellante, zoals zij heeft aangevoerd, de brieven van de rechtbank van 9 februari 2012 en 5 juni 2012 niet heeft ontvangen, leidt niet tot een ander oordeel. Die brieven kunnen er immers niet aan afdoen dat appellante ook op grond van de andere brieven wist, althans diende te weten, dat zij de gronden van het beroep moest indienen.


3.4.

Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het hoger beroep van appellante, voor zover dat betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het

bestreden besluit 1, niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden bevestigd.


3.5.

Er zijn ten aanzien van het bestreden besluit 1 geen gronden voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.


Bestreden besluit 2


3.6.

Het dagelijks bestuur heeft ter zitting van de Raad verklaard dat het, ondanks dat het ontslagbesluit van 31 mei 2010 is herroepen, bereid is de, bij salarisspecificatie van

24 februari 2012 betaalde en destijds door appellante teruggestorte, ontslagvergoeding opnieuw aan appellante uit te betalen. Appellante is hiermee akkoord gegaan en heeft hierop haar hoger beroep ten aanzien van het bestreden besluit 2 ingetrokken met het verzoek het dagelijks bestuur in de proceskosten te veroordelen.


3.7.

In geval van een tegemoetkomen door het bestuursorgaan wordt bij een intrekking van het hoger beroep in beginsel op de voet van artikel 8:75a van de Awb een proceskostenveroordeling uitgesproken. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. In onder meer zijn uitspraak van

16 mei 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AX6776) heeft de Raad overwogen dat het gegeven dat onverplicht en bij wege van coulance is tegemoet gekomen, in beginsel niet een dergelijke bijzondere omstandigheid oplevert. De Raad ziet onvoldoende grond om in dit geval tot een ander oordeel te komen.

3.8.

Van de door appellante opgevoerde kosten komen slechts de reiskosten voor de zitting van de Raad, op basis van openbaar vervoer tweede klasse, zijnde een bedrag van € 16,68, voor vergoeding in aanmerking. De door appellante gedeclareerde kosten van rechtsbijstand komen niet voor vergoeding in aanmerking. Voor zover er in het kader van de procedure inzake de salarisspecificatie proceshandelingen zijn verricht die zijn genoemd in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), zijn die niet door een derde beroepsmatig verricht, maar door appellante zelf. Voor toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb, zoals door appellante bepleit, bestaat verder geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;- veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 16,68.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M.T. Boerlage en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2015.




(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD