Centrale Raad van Beroep, 12-06-2015 / 13-755 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:1962

Inhoudsindicatie
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hem een procesgang is ontnomen en hij in zijn verweermogelijkheden is geschaad omdat hij tegen de voorgenomen beslissing op bezwaar geen gronden heeft kunnen indienen. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant wel degelijk de gelegenheid gehad om zijn zienswijze op het voorgenomen besluit in te dienen. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat sprake is geweest van zorgvuldig medisch onderzoek. De in hoger beroep ingediende medische informatie doet daaraan niet af. De rechtbank heeft terecht overwogen dat inschakeling van een deskundige in dit geval niet aangewezen is. De medische geschiktheid van de voorgehouden functies is afdoende toegelicht en wordt eveneens onderschreven.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-12
Publicatiedatum
2015-06-24
Zaaknummer
13-755 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/755 WIA

Datum uitspraak: 12 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ̕s-Hertogenbosch van

28 december 2012, 12/1504 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Aan het geding heeft als partij deelgenomen [BV] te [plaats]

(ex-werkgever)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De ex-werkgever heeft, bij gemachtigde mr. S.G.C. van Ingen, desgevraagd meegedeeld aan het geding deel te willen nemen en een zienswijze ingediend.

De Raad heeft, onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat kennisname van medische gegevens van appellant uitsluitend is toegestaan aan de gemachtigde van de ex-werkgever.

Appellant en het Uwv hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2015. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas. De ex-werkgever is, na berichtgeving, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is op 7 april 2008 uitgevallen voor zijn werk als meewerkend magazijnchef bij de ex-werkgever in verband met rugklachten. Op zijn verzoek heeft het Uwv appellant met ingang van 5 april 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend.


1.2.

Bij besluit van 21 september 2011 heeft het Uwv meegedeeld dat de loongerelateerde WGA-uitkering van appellant eindigt op 5 december 2011 en dat appellant met ingang van die datum in aanmerking komt voor een WGA-loonaanvullingsuitkering. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het Uwv heeft het door de ex-werkgever gemaakte bezwaar gegrond verklaard bij besluit van 16 april 2012 (bestreden besluit) en meegedeeld dat de WGA-loonaanvullingsuitkering met ingang van 28 mei 2012 wordt beëindigd, omdat is gebleken dat appellant met ingang van 5 december 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.


1.3.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de ex-werkgever heeft als partij aan het geding deelgenomen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij allereerst overwogen dat geen sprake is van “reformatio in peius” aangezien appellant zelf geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 21 september 2011 en bovendien de uitkering pas per toekomstige datum is beëindigd. Verder heeft zij overwogen dat sprake is geweest van zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, op basis van zijn eigen onderzoeksbevindingen in combinatie met de door de orthopedisch chirurg gestelde diagnose en daarnaast rekening houdend met het protocol aspecifieke lage rugpijn (protocol ALR), aanleiding gezien tot bijstelling van de door de primaire verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Gelet op alle voorhanden medische gegevens en de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gegeven onderbouwing van zijn standpunt, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit. Voor een deskundigenonderzoek heeft de rechtbank geen aanleiding gezien, omdat er, in tegenstelling tot wat appellant heeft aangevoerd, geen sprake was van een situatie zoals die aan de orde was in de uitspraak van de Raad van 11 januari 2000 (ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8725). In die zaak was sprake van tegengestelde standpunten bij de verzekeringsarts en een behandelend arts, terwijl in het onderhavige beroep sprake is van een heroverweging door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waarbij deze op plausibele wijze heeft gemotiveerd waarom het standpunt van de verzekeringsarts niet kan worden gevolgd. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de voorgehouden functies de bij de FML vastgestelde belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.


2.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om, voorafgaand aan de intrekking van zijn uitkering, tegen de voorgenomen beslissing op bezwaar gronden in te dienen. Hierdoor is hem een procesgang ontnomen en is hij in zijn verweermogelijkheden geschaad. Verder heeft hij zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, volgens appellant, onvoldoende gemotiveerd om welke reden de door de verzekeringsarts opgestelde FML diende te worden aangepast. Ter onderbouwing heeft hij informatie ingediend van neurochirurg dr. S. Rooker van 26 april 2013 en van medisch adviseur M.M.F. Timmerhuis van 4 juni 2013. Ten slotte heeft hij de Raad verzocht om een deskundige in te schakelen nu de meningen van twee verzekeringsartsen tegenover elkaar staan, onder verwijzing naar de eerder aangehaalde uitspraak van de Raad

van 11 januari 2000.


2.2.

Zowel Uwv als de ex-werkgever hebben zich achter de aangevallen uitspraak gesteld.


3.1.

De Raad oordeelt als volgt.


3.2.

De door appellant opgeworpen grond dat hem, in de door de ex-werkgever aangespannen bezwaarprocedure, een procesgang is ontnomen en hij in zijn verweermogelijkheden is geschaad doordat hij niet in de gelegenheid is gesteld om gronden in te dienen tegen de voorgenomen beslissing op bezwaar, slaagt niet. In het dossier bevinden zich twee telefoonnotities van het Uwv. Uit de eerste telefoonnotitie blijkt dat appellant op 15 maart 2012 telefonisch door het Uwv is geïnformeerd over de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is te achten en dat dit waarschijnlijk tot een beëindiging van de uitkering per toekomende datum zal leiden. Uit de tweede notitie blijkt dat appellant op 22 maart 2012 nogmaals telefonisch contact heeft gehad met het Uwv en dat hem hierbij is meegedeeld dat de uitkering inderdaad per toekomende datum zal worden beëindigd vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% en dat nog wordt gewacht op een eventuele reactie van de ex-werkgever op dit voorgenomen besluit. Hierop heeft appellant aangegeven dat hij het besluit op bezwaar wenst af te wachten. Van de kant van de ex-werkgever is er evenmin een nadere zienswijze ingediend. Gelet op het voorgaande heeft appellant wel degelijk de gelegenheid gehad om zijn zienswijze op het voorgenomen besluit in te dienen. Niet gezegd kan worden dat hij in zijn processuele rechten is geschaad.


3.3.

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat sprake is geweest van zorgvuldig medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze verzekeringsarts heeft appellant op 28 februari 2012 lichamelijk onderzocht. Op basis van zijn onderzoeksbevindingen in combinatie met de door de behandelende orthopeed vastgestelde diagnoses en onder toepassing van het protocol ALR heeft hij aanleiding gezien tot bijstelling van de door de verzekeringsarts opgestelde FML. Hierbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend en consistent gemotiveerd waarom hij aanleiding ziet om af te wijken van de beoordeling van de verzekeringsarts en om de FML aan te passen. Hierbij is van belang dat de verzekeringsarts appellant niet lichamelijk heeft onderzocht, in tegenstelling tot de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de diagnoses van de orthopeed overgenomen en beperkingen aangenomen die voortvloeien uit deze diagnoses, in combinatie met zijn eigen onderzoeksbevindingen. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend gemotiveerd dat het protocol ALR eveneens dient te worden toegepast, gelet op de discrepanties tussen de klachten van appellant en de objectiveerbare beperkingen. Terecht heeft de rechtbank dan ook geen grond voor twijfel gezien aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De in hoger beroep door appellant ingediende medische informatie doet aan het voorgaande niet af. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapport van 26 november 2014 overtuigend toegelicht dat de in deze stukken vermelde gegevens bekend waren bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep en door hem zijn meegewogen.


3.4.

Met juistheid ook heeft de rechtbank overwogen dat inschakeling van een deskundige in dit geval niet aangewezen is en dat geen sprake is van een vergelijkbare situatie als die aan de orde was in het hoger beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 11 januari 2000. Het verzoek aan de Raad om inschakeling van een deskundige wordt dan ook op dezelfde gronden afgewezen.


3.5.

De overweging van de rechtbank dat de medische geschiktheid van de voorgehouden functies voor appellant afdoende is toegelicht door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep wordt eveneens onderschreven.


3.6.

Gelet op overwegingen 3.2 tot en met 3.5 dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.


3.7.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) W. de Braal




MK