Centrale Raad van Beroep, 19-06-2015 / 13-5447 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:1965

Inhoudsindicatie
Geen recht op pensioen. Niet is aannemelijk dat appellant in de periode tussen 1969 en 1974 ingezetene van Nederland is geweest of in Nederland in dienstbetrekking arbeid heeft verricht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-19
Publicatiedatum
2015-06-25
Zaaknummer
13-5447 AOW
Procedure
Hoger beroep

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5447 AOW

Datum uitspraak: 19 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

22 augustus 2013, 12/2061 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2015. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is in 1947 in Marokko geboren. Op 1 februari 2011 heeft appellant een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Daarbij heeft appellant vermeld dat hij van 1968 of 1969 tot 1974 in Nederland heeft gewerkt. Bij besluit van 29 september 2011 heeft de Svb geweigerd appellant een pensioen toe te kennen.


1.2.

Het bezwaar van appellant tegen dit pensioenoverzicht is bij besluit van 14 maart 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant geen recht op pensioen heeft, omdat er geen bewijs is dat appellant verzekerd was.


3.1.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij over de periode in geschil verzekerd is voor de AOW, omdat hij in deze periode in Nederland diverse werkzaamheden heeft verricht. Appellant stelt dat onvoldoende onderzoek is gedaan.


3.2.

De Svb heeft het standpunt ingenomen dat terecht is vastgesteld dat appellant van 1969 tot 1974 niet verzekerd is, omdat niet is gebleken dat appellant in deze periode ingezetene was en niet aannemelijk is dat appellant in deze periode in Nederland heeft gewerkt.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In geding is of appellant in de periode van 1969 tot 1974 verzekerd was voor de AOW op grond van ingezetenschap, dan wel op grond van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid die aan de loonbelasting is onderworpen.


4.2.

Wat betreft de vraag naar het ingezetenschap dient te worden beoordeeld of appellant in deze periode bezien naar de omstandigheden in Nederland woonde. Daarbij moet op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad, waaronder de arresten van 21 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP1466), 4 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6285) en 12 april 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ6824) acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen belanghebbende en Nederland. Die duurzame band met Nederland hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt.


4.3.

Appellant heeft aangegeven dat hij van 1969 tot 1973 op twee adressen in Amsterdam heeft gewoond. Volgens appellant heeft hij in Amsterdam gewerkt bij een schoonmaakbedrijf, een tabaksfabriek, een houtfabriek en in een ziekenhuis.


4.4.

De Svb heeft het schakelregister geraadpleegd en bij de gemeente Amsterdam navraag gedaan of appellant ingeschreven is geweest in het bevolkingsregister. De gemeente heeft meegedeeld dat de naam van appellant in het bevolkingsregister niet is gevonden.


4.5.

Voorts heeft de Svb navraag gedaan bij meerdere pensioenfondsen en bedrijven. De stichting Bedrijfspensioenfonds schoonmaak- en glazenwassersbedrijf en de stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Houthandel hebben op het informatieverzoek van de Svb geantwoord dat appellant bij deze fondsen niet bekend is en geen premies heeft betaald aan deze fondsen. In antwoord op een informatieverzoek van de Svb heeft British American Tobacco Nederland B.V. meegedeeld dat onbekend is of appellant voor dit bedrijf heeft gewerkt. De Nije - een houtfabriek in Amsterdam - heeft geantwoord dat appellant niet voor dit bedrijf heeft gewerkt. Voorts hebben de stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Houtverwerkende industrie, Interpolis pensioenbeheer B.V. en het Lucas Andreas Ziekenhuis te Amsterdam telefonisch meegedeeld dat appellant bij hen niet bekend is.


4.6.

Gelet op de overwegingen onder 4.4 en 4.5, heeft de Svb voldoende onderzoek verricht naar het mogelijke verblijf en mogelijke werkzaamheden van appellant in Nederland. Het onderzoek van de Svb is zorgvuldig. Nu appellant geen bewijsstukken heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt, is niet aannemelijk dat appellant in de periode tussen 1969 en 1974 ingezetene van Nederland is geweest of in Nederland in dienstbetrekking arbeid heeft verricht.


4.7.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2015.




(getekend) T.L. de Vries




(getekend) D. van Wijk




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip kring van verzekerden.





MK