Centrale Raad van Beroep, 17-06-2015 / 13-6514 WTOS


ECLI:NL:CRVB:2015:1966

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag voor een toelage op grond van de Wtos. Appellant voldoet niet aan het in artikel 2.2 van de Wtos neergelegde nationaliteitsvereiste en valt evenmin onder de in artikel 3 van het Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Btos) neergelegde gelijkstellingsregeling. Geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. Appellant komt niet op grond van het Turkse associatieverdrag in aanmerking voor een tegemoetkoming nu niet is gebleken dat appellant of zijn stiefvader is aan te merken als werknemer.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-17
Publicatiedatum
2015-06-25
Zaaknummer
13-6514 WTOS
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6514 WTOS

Datum uitspraak: 17 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 oktober 2013, 13/2024 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.R. Klaver, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klaver. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Raad gaat uit van de volgende, tussen partijen niet in geding zijnde, feiten en omstandigheden.


1.2.

Appellant is geboren op 1 juni 1994 en heeft de Turkse nationaliteit. Appellant en zijn moeder hadden van 5 juni 2001 tot en met 24 maart 2003 een vergunning tot verblijf in Nederland met de beperking verblijf bij [naam] (stiefvader) respectievelijk echtgenoot. Het huwelijk tussen de moeder en stiefvader van appellant is op 15 februari 2005 ontbonden, waardoor de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is ingetrokken. Enige tijd nadien heeft appellants moeder, mede namens appellant die op dat moment nog minderjarig was, een aanvraag ingediend tot wijziging van de hiervoor vermelde verblijfsvergunning in een verblijfsvergunning met de beperking voortgezet verblijf. Deze aanvraag is door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bij besluit van 17 november 2011 afgewezen en deze afwijzing is, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 1 februari 2012. Tegen dit laatste besluit is door appellant en zijn moeder beroep ingesteld. Ten tijde van het onderzoek ter zitting van de Raad op 4 maart 2015 is door de rechtbank Den Haag nog geen uitspraak gedaan op dat beroep. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft bepaald dat appellant en zijn moeder in Nederland mogen verblijven tot op dat beroep is beslist.


1.3.

Appellant heeft in april 2012 een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming scholieren op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) in verband met het volgen van voltijds voortgezet onderwijs, klas 4 HAVO. Bij besluit van 7 november 2012 heeft de minister afwijzend beslist op deze aanvraag op de grond dat appellant niet voldoet aan het in artikel 2.2 van de Wtos neergelegde nationaliteitsvereiste en evenmin valt onder de in artikel 3 van het Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Btos) neergelegde gelijkstellingsregeling. De minister heeft voorts in het gegeven dat er een verblijfsrechtelijke procedure loopt geen aanleiding gezien voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 11.4 van de Wtos. Ten slotte is overwogen dat appellant niet op grond van het Turkse associatieverdrag in aanmerking komt voor een tegemoetkoming nu niet is gebleken dat appellant of zijn stiefvader is aan te merken als werknemer.


1.4.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 november 2012. Appellant stelt dat de aanvraag voor een toelage op grond van de Wtos per juli 2012 ten onrechte is afgewezen gezien zijn bijzondere omstandigheden. Hij voldeed destijds aan de voorwaarden voor toekenning van een verblijfsvergunning voortgezet verblijf zodat deze hem zou zijn verstrekt indien deze destijds voor hem was aangevraagd. Daarnaast verblijft hij al meer dan tien jaar in Nederland, is hij geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en spreekt hij de Nederlandse taal goed.


1.5.

Bij besluit van 14 februari 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. De minister ziet geen reden voor toepassing van de hardheidsclausule nu het resultaat van toepassing van de wet niet onredelijk is. In het geval van appellant is geen sprake van een situatie die in strijd is met de bedoeling van de wetgever of die niet is voorzien door de wetgever.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is het volgende overwogen. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant noch voldoet aan het nationaliteitsvereiste, noch voldoet aan de vereisten voor toepassing van de gelijkstellingsregeling als neergelegd in het Btos. Wat de toepassing van de hardheidsclausule betreft is overwogen dat het feit dat appellant niet voldoet aan de door de wetgever gestelde toekenningsvoorwaarden betekent dat appellant conform de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet geen recht heeft op een tegemoetkoming. Voorts is niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat desalniettemin een tegemoetkoming had moeten worden verstrekt. Verder is onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad overwogen dat de afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met artikel 2 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Ten slotte is het beroep op artikel 9 van Besluit nr. 1/80 (Besluit 1/80) van de Associatieraad EEG-Turkije verworpen. Nog los van het vereiste dat sprake moet zijn van legaal verblijf, heeft appellant niet aangetoond dat zijn ouders in Nederland legaal tewerkgesteld zijn of zijn geweest, zodat appellant reeds hierom geen beroep toekomt op dit artikel.


3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Aangevoerd wordt dat de door appellant gestelde bijzondere omstandigheden reden vormen voor toepassing van de hardheidclausule. Daarnaast wordt aangevoerd dat de aanvraag dient te worden toegewezen op grond van artikel 9 van Besluit 1/80 nu de moeder van appellant legaal tewerkgesteld is geweest. Ter onderbouwing van dit standpunt is verwezen naar een overgelegde jaaropgave 2010 ter zake door de moeder verrichte werkzaamheden. Ter zitting heeft appellant hier aan toegevoegd dat ook bezien moet worden of appellant via zijn stiefvader of zelfstandig, gelet op door appellant sinds 2010 verrichte werkzaamheden, rechten kan ontlenen aan het Associatierecht.


4. De Raad overweegt als volgt.


4.1.

Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 12 februari 2014: ECLI:NL:CRVB:2014:487) biedt de hardheidsclausule de minister niet de mogelijkheid een uitzondering te maken op een wettelijke bepaling indien de onverkorte toepassing daarvan in het concrete geval in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet. De wetgever heeft limitatief bepaald welke groepen niet-Nederlanders in aanmerking komen voor een toelage op grond van de Wtos. Appellant valt daar niet onder. Onverkorte toepassing van de wet leidt, gelet op de tekst van artikel 2.2, eerste lid onder c van de Wtos in samenhang met artikel 3 van het Btos, en de toelichting bij het Btos, tot het resultaat dat de wetgever uitdrukkelijk heeft beoogd. Dit brengt mee dat slechts in geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden van individuele aard aanleiding kan bestaan voor toepassing van de hardheidsclausule. Hetgeen appellant heeft aangevoerd bevat geen aanknopingspunten voor het bestaan van zo’n uitzonderlijke situatie.


4.2.

Appellant heeft verder niet toereikend beargumenteerd en onderbouwd, laat staan aannemelijk gemaakt, dat ten tijde van belang door appellant of zijn moeder of stiefvader is voldaan aan het in Besluit 1/80 opgenomen vereiste van legaal verblijf. Evenmin kan op grond van wat door appellant is aangevoerd worden geconcludeerd dat het aangewezen is dat ter zake door de minister of door de Raad nader onderzoek wordt verricht. Wat appellant heeft aangevoerd biedt de minister en de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor zo’n onderzoek.


4.3.

Uit wat is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd. Voor een veroordeling tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente, zoals door appellant verzocht, is bij dit oordeel geen plaats.


5. Nu de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en T.L. de Vries en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015.




(getekend) H.J. de Mooij




(getekend) W.de Braal




HD