Centrale Raad van Beroep, 12-06-2015 / 14-463 AKW


ECLI:NL:CRVB:2015:1969

Inhoudsindicatie
Beëindiging recht op kinderbijslag. Kind 1 en kind 2 behoorden gedurende het tweede kwartaal van 2010, het vierde kwartaal van 2010 tot en met het tweede kwartaal van 2011 en het vierde kwartaal van 2011 niet tot het huishouden van appellante. Appellante heeft niet aangetoond dat zij toen een bijdrage in het levensonderhoud van deze kinderen heeft geleverd. Ten aanzien van kind 3 is overwogen dat kind 3 niet tot het huishouden van appellante heeft behoord en dat ook ten aanzien van haar niet is aangetoond dat een voldoende bijdrage in het levensonderhoud is geleverd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-12
Publicatiedatum
2015-06-25
Zaaknummer
14-463 AKW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/463 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

12 december 2013, 13/2049 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2014. Appellante is daarbij in persoon verschenen bijgestaan door mr. P. Salim, advocaat en haar ex-echtgenoot

[naam ex-echtgenoot]. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

De Raad heeft vervolgens het onderzoek in deze procedure heropend om te kunnen beoordelen of een gevoegde behandeling met andere aanhangige procedures wenselijk is. Bij brief van 12 december 2014 heeft de Raad appellante gevraagd of zij kan instemmen met het betrekken van enige stukken uit een andere beroepszaak in deze procedure.

Bij brief van 6 februari 2015 is namens appellante gereageerd op de vraag van de Raad en zijn nog enige stukken in het geding gebracht. De Svb heeft vervolgens bij brief van 24 februari 2015 gereageerd op de nadere stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 1 mei 2015. Namens appellante zijn daarbij verschenen mr. Salim en [naam ex-echtgenoot]. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Zuidersma.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is gehuwd geweest met [naam ex-echtgenoot]. Uit dat huwelijk zijn geboren de kinderen [kind 1], [in] 1998, [kind 2], [in] 1999, en [kind 3], [in] 2007. Appellante heeft van de Svb kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontvangen voor deze kinderen. Daarbij is de Svb er vanuit gegaan dat de kinderen thuis woonden.


1.2.

Op 9 maart 2010 heeft appellante telefonisch aan de Svb gemeld dat zij op een ander adres verblijft en dat haar echtgenoot een echtscheidingsprocedure is gestart in Tunesië. De Svb is vervolgens gestart met een onderzoek naar de feitelijke situatie van appellante en haar kinderen. Daarbij is van een leerplichtambtenaar vernomen dat [kind 1] en [kind 2] voor het schooljaar 2009/2010 vrijstelling van leerplicht hebben gekregen wegens het bezoeken van een school in het buitenland. Verder is gebleken dat de kinderen ingeschreven waren in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) van Amsterdam.


1.3.

Uit een op 30 augustus 2010 opgemaakt bezoekrapport blijkt dat appellante toen heeft verklaard dat zij sinds 29 mei 2010 met haar kinderen gescheiden van haar echtgenoot leeft op een adres in [woonplaats]. De kinderen [kind 1] en [kind 2] woonden volgens appellante sinds 2004 in Tunesië en verbleven in de vakanties in Nederland. Vanaf augustus 2010 wonen de kinderen volgens appellante weer in Nederland en zijn zij ingeschreven bij scholen in [woonplaats].


1.4.

In juni 2011 zijn de kinderen [kind 1] en [kind 2] per 5 april 2011 in de GBA geregistreerd als ‘vertrokken naar onbekend’. De ex-echtgenoot van appellante heeft een procedure gevoerd tegen deze registratie. Blijkens de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2012 (12/1810) zijn in die procedure E-tickets overgelegd waaruit blijkt dat deze kinderen op 15 maart 2011 van Tunesië naar [woonplaats] zijn vertrokken en op 2 april 2011 terug zijn gegaan naar Tunesië. Daarna zijn zij op 14 juni 2011 en 10 december 2011 teruggekeerd in Nederland en weer vertrokken naar Tunesië op 13 september 2011 en 5 januari 2012. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de kinderen niet ten minste twee derde van de tijd in het jaar 2011 buiten Nederland hebben verbleven, zodat de opneming in de GBA van de mededeling ‘vertrokken naar onbekend’ onjuist is.


1.5.

Bij besluit van 3 juni 2011 heeft de Svb de betaling van kinderbijslag aan appellante met ingang van het tweede kwartaal van 2010 geschorst omdat niet is gereageerd op verzoeken om informatie.


1.6.

Bij besluit van 28 september 2011 heeft de Svb het recht op kinderbijslag voor appellante definitief beëindigd vanaf het vierde kwartaal van 2011, omdat zij niet had gereageerd op verzoeken om informatie. Bij besluit van 27 december 2011 heeft de Svb aan appellante meegedeeld dat het recht op kinderbijslag voor haar kinderen definitief is beëindigd over het tweede kwartaal van 2010 tot en met het derde kwartaal van 2011.


1.7.

Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Tijdens de hoorzitting heeft de ex-echtgenoot van appellante - als haar gemachtigde - op 4 december 2012 verklaard dat het kind [kind 3] altijd bij hem heeft gewoond ook als appellante in Tunesië verbleef. Appellante is in de zomer van 2010 na de vakantie weer naar Tunesië gegaan. In december 2012 zou zij terugkeren naar Nederland en in tegenstelling tot voorheen weer bij de ex-echtgenoot gaan wonen. Ten slotte heeft de ex-echtgenoot verklaard dat vanaf 27 mei 2010 officieel sprake is van een echtscheiding. De Svb heeft vervolgens nog navraag gedaan bij de scholen waar de kinderen [kind 1] en [kind 2] zijn ingeschreven in de zomer van 2010. Daarbij is gebleken dat de kinderen heel kort op school zijn geweest en dat in januari 2011 een melding is gedaan vanwege langdurig ongeoorloofd verzuim.


1.8.

De Svb heeft vervolgens aan appellante verzocht om bewijsstukken waaruit kan blijken dat zij vanaf het tweede kwartaal van 2010 in voldoende mate heeft bijgedragen in het levensonderhoud van de kinderen. Namens appellante zijn diverse bewijsstukken overgelegd.


1.9.

Bij besluit van 14 maart 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 28 september 2011 en 27 december 2011 gedeeltelijk gegrond verklaard. De Svb heeft bepaald dat appellante over het derde kwartaal van 2010 en het derde kwartaal van 2011 recht heeft op kinderbijslag voor [kind 1] en [kind 2], omdat de kinderen toen gedurende de zomervakantie bij haar verbleven en zij, gelet op de door de Svb gehanteerde forfaitaire bijdrage tijdens verblijf van uitwonende kinderen bij de ouders, geacht kan worden te hebben voldaan aan de onderhoudseis. Gedurende de overige kwartalen heeft appellante niet aangetoond [kind 1] en [kind 2] in belangrijke mate te hebben onderhouden. Ten aanzien van [kind 3] is overwogen dat zij bij de ex-echtgenoot van appellante woont, zodat appellante geen recht heeft op kinderbijslag voor dit kind. De Svb heeft met ingang van het vierde kwartaal van 2011 kinderbijslag voor [kind 3] toegekend aan de ex-echtgenoot van appellante.


2.1.

Namens appellante is in beroep aangevoerd dat [kind 3] steeds bij haar heeft verbleven. Voorts is volgens haar wel voldaan aan de onderhoudseis.


2.2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is - onder meer - overwogen dat de kinderen [kind 1] en [kind 2] gedurende het tweede kwartaal van 2010, het vierde kwartaal van 2010 tot en met het tweede kwartaal van 2011 en het vierde kwartaal van 2011 niet tot het huishouden van appellante behoorden en dat appellante niet heeft aangetoond dat zij toen een bijdrage in het levensonderhoud van deze kinderen heeft geleverd van ten minste € 408,- per kind per kwartaal. Ten aanzien van [kind 3] is overwogen dat [kind 3] niet tot het huishouden van appellante heeft behoord en dat ook ten aanzien van haar niet is aangetoond dat een voldoende bijdrage in het levensonderhoud is geleverd.


3.1.

Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat zij ingeschreven was op het adres [adres] te [woonplaats] en dat zij daar ook steeds feitelijk heeft verbleven. Voorts is aangevoerd dat recht bestaat op dubbele kinderbijslag en dat voldaan is aan de onderhoudseis.


3.2.

Gedurende de procedure in hoger beroep zijn nog enkele stukken overgelegd. Ten eerste betreft dit een vonnis in kort geding van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2010, waarin is bepaald dat appellante de woning aan de [adres] te [woonplaats] binnen zes weken dient te ontruimen. Ten tweede een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

29 november 2013, waarbij het beroep van appellante ongegrond is verklaard tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] tot intrekking van de aan appellante toegekende bijstand over de periode van 12 januari 2011 tot en met 31 maart 2011. Ten derde een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2014, waarbij een beroep tegen de weigering van bijstand aan appellante per 25 april 2014 als alleenstaande ouder is afgewezen, omdat zij op hetzelfde adres woont als haar ex-echtgenoot. Ten vierde enkele beschikkingen waarbij een huurtoeslag is toegekend over 2010 en 2011, waarbij de Belastingdienst er vanuit is gegaan dat de kinderen op het adres [adres] woonden.


3.3.

Ter zitting van 1 mei 2015 is nog aangevoerd dat appellante en haar ex-echtgenoot gedurende de in geschil zijnde kwartalen steeds een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is allereerst in geschil of de rechtbank terecht de beslissing van de Svb heeft onderschreven dat appellante voor de kinderen [kind 1] en [kind 2] gedurende het tweede kwartaal van 2010, het vierde kwartaal van 2010 tot en met het tweede kwartaal van 2011 en het vierde kwartaal van 2011 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat zij niet tot het huishouden van appellante behoorden en appellante niet heeft aangetoond dat toen een bijdrage in het levensonderhoud van kinderen is geleverd van ten minste € 408,- per kind per kwartaal. Voorts is in geschil of ten aanzien van het kind [kind 3] terecht is geoordeeld dat zij niet tot het huishouden van appellante heeft behoord en dat ook ten aanzien van haar niet is aangetoond dat een voldoende bijdrage in het levensonderhoud is geleverd.


4.2.

Met betrekking tot de omvang van het geding wordt, naar aanleiding van een stelling van de gemachtigde van appellante in een brief van 2 december 2014, opgemerkt dat het primaire besluit van 28 september 2011 betrekking heeft op de situatie vanaf het vierde kwartaal van 2011. Ingevolge vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2005:AU8086) kan het onderhavige geding in ieder geval geen betrekking hebben op aanspraken op kinderbijslag over kwartalen die niet expliciet zijn genoemd in het besluit en die zijn gelegen na de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat de omvang van het geding is beperkt tot de aanspraak op kinderbijslag tot en met uiterlijk het vierde kwartaal van 2011.


4.3.

Voor de beoordeling van de aanspraak op kinderbijslag van appellante is van belang of zij gedurende de in geschil zijnde kwartalen één huishouden vormde met haar kinderen en haar ex-echtgenoot. Zolang kinderen behoren tot het huishouden van hun ouders hoeven de ouders immers niet aan de hand van bewijsstukken aan te tonen dat zij in voldoende mate bijdragen in het levensonderhoud van hun kinderen. Indien de ouders van uitwonende kinderen één huishouden vormen dan kunnen bijdragen van beiden in aanmerking genomen worden bij de beoordeling of in voldoende mate is bijgedragen in het levensonderhoud van de kinderen. Ingevolge vaste jurisprudentie ziet de term één huishouden naar algemeen spraakgebruik en in de regel ook voor de toepassing van de AKW op de feitelijke situatie van gezamenlijk wonen, waarbij in gevallen van - gesteld - verblijf op verschillende adressen van belang is op welk adres het merendeel van de voor de nachtrust bestemde tijd wordt doorgebracht.


4.4.

Op grond van de thans beschikbare gegevens kan niet aangenomen worden dat appellante en haar ex-echtgenoot gedurende de in geschil zijnde kwartalen één huishouden hebben gevormd. Appellante heeft zelf in maart 2010 aan de Svb meegedeeld dat zij op een ander adres verbleef en niet langer samenwoonde met haar echtgenoot. In augustus 2010 heeft zij dit nogmaals bevestigd. Verder is in november 2010 een kort geding gevoerd waarin is bepaald dat appellante de echtelijke woning diende te verlaten en is door de gemeente Amsterdam aan appellante vanaf oktober 2010 bijstand als alleenstaande toegekend. Uit diverse gedingstukken blijkt dat appellante met enige regelmaat naar Tunesië is gereisd en daar steeds enige tijd heeft verbleven. Ten slotte heeft de ex-echtgenoot van appellante in december 2012 verklaard dat appellante zou terugkeren naar Nederland en in tegenstelling tot voorheen weer bij hem zou gaan wonen. Deze gegevens in onderling verband bezien wijzen op een situatie waarin geen sprake is geweest van één huishouden van appellante en haar ex-echtgenoot. Het enkele feit dat appellante in de GBA ingeschreven is gebleven op het adres van haar

ex-echtgenoot kan niet leiden tot een andere conclusie.


4.5.

Ten aanzien van de kinderen [kind 1] en [kind 2] wordt het oordeel van de rechtbank, dat deze kinderen gedurende de in geschil zijnde kwartalen uitwonend waren in verband met een studie in Tunesië en niet één huishouden vormden met appellante, onderschreven. Door en namens appellante is in hoger beroep ook niet betwist dat deze kinderen uitwonend waren. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of appellante tijdens de in geschil zijnde kwartalen heeft voldaan aan de bij en krachtens de AKW gestelde voorwaarde dat zij [kind 1] en [kind 2] in belangrijke mate heeft onderhouden. Blijkens vaste rechtspraak dient een verzekerde desgevraagd op een voor het uitvoeringsorgaan eenvoudig te controleren wijze - met name door middel van bankoverschrijvingen ten name van de persoon die het kind verzorgt - aan te tonen of aannemelijk te maken dat zij voor haar niet in Nederland verblijvende kind heeft voldaan aan de voor hem geldende onderhoudsbijdrage.


4.6.

Het oordeel van de rechtbank dat appellante geen bewijsstukken heeft overgelegd die voldoen aan de genoemde maatstaven wordt onderschreven. Daarbij is met name van belang dat niet is gebleken van controleerbare betalingen van appellante zelf ten behoeve van [kind 1] en [kind 2].


4.7.

Ten aanzien van het kind [kind 3] moet beoordeeld worden of zij gedurende de in geschil zijnde kwartalen behoorde tot het huishouden van appellante. Nu het hier een beoordeling van de aanspraak op kinderbijslag betreft rust op appellante primair de bewijslast dat is voldaan aan de voorwaarden daartoe. De ex-echtgenoot van appellante heeft - in zijn hoedanigheid van gemachtigde van appellante - expliciet verklaard dat [kind 3] altijd bij hem is blijven wonen en nooit is mee geweest naar Tunesië. Appellante heeft verder geen bewijs aangevoerd voor de stelling dat [kind 3] tot haar huishouden heeft behoord. Aan de stelling dat appellante en haar ex-echtgenoot steeds één huishouden hebben gevormd kan, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.4 is overwogen, geen betekenis worden toegekend. Dit betekent dat appellante niet heeft aangetoond dat [kind 3] gedurende de in geschil zijnde kwartalen heeft behoord tot haar huishouden.


4.8.

Ook ten aanzien van [kind 3] heeft appellante niet aangetoond dat zij dit kind gedurende de in geschil zijnde kwartalen in belangrijke mate heeft onderhouden. Uit de overgelegde stukken blijkt op geen enkele wijze van betalingen ten behoeve van [kind 3].


4.9.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.8 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

H.J. Simon als leden in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2015.



(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) G.J. van Gendt




CVG