Centrale Raad van Beroep, 19-06-2015 / 13-5057 ANW


ECLI:NL:CRVB:2015:1975

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek de incasso te verlagen. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-19
Publicatiedatum
2015-06-25
Zaaknummer
13-5057 ANW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5057 ANW

Datum uitspraak: 19 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 augustus 2013, 12/6478 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2015. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant verhuurt een woonruimte in Amsterdam. Bij vonnis van 29 januari 2009 van de kantonrechter te Amsterdam is appellant veroordeeld om aan een voormalige huurder,

[naam] te [plaats], een bedrag van € 5.639,61 te voldoen en is appellant veroordeeld in de kosten van het geding. Op 30 oktober 2009 heeft gerechtsdeurwaarder

M.O. de Boer te Amsterdam de Svb meegedeeld dat deze op verzoek van [naam] te [plaats], ten laste van appellant executoriaal derdenbeslag heeft gelegd op gelden die de Svb aan appellant verschuldigd mocht zijn, waaronder periodieke uitkeringen. De deurwaarder heeft het - op dat moment - door appellant te betalen bedrag vastgesteld op

€ 7.133,60. Daarbij is de beslagvrije voet vastgesteld op € 630,68 per maand. Bij besluit van

9 november 2009 heeft de Svb het maandelijks uit te betalen bedrag van de nabestaandenuitkering van appellant met ingang van november 2009 verminderd naar

€ 640,68 netto per maand.


1.2.

Appellant heeft in een brief van 27 oktober 2012 de Svb gevraagd de incasso te verlagen tot € 1,-. Bij besluit van 20 november 2012 is het verzoek afgewezen.


1.3.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 november 2012 is bij besluit van

11 december 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 11 december 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft ten aanzien van de uitbetaling over de periode voorafgaande aan het besluit van 9 november 2009 geoordeeld dat zij zich dient te beperken tot de vraag of appellant nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. Van zodanige feiten of omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. Wat betreft de periode na het verzoek om terug te komen van het besluit van 9 november 2009 heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van een situatie waarin niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar is dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de betrokkene kan worden tegengeworpen. Voorts is overwogen dat er geen grond is om het besluit van 9 november 2009 onjuist te achten.


3.1.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het beslag ten onrechte is gelegd. Volgens appellant moet de inhouding op € 1,- per maand worden vastgesteld. Appellant stelt dat hij het bedrag in verband waarmee het beslag is gelegd niet verschuldigd is.


3.2.

De Svb heeft gesteld dat hij niet de bevoegdheid heeft de geldigheid van het beslag te beoordelen en het beslag op juiste wijze is uitgevoerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het verzoek van 27 oktober 2012 dient te worden aangemerkt als een verzoek aan de Svb om terug te komen van zijn besluit van 9 november 2009.


4.2.1.

Een bestuursorgaan is bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van dezelfde strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit in beginsel niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Bij een doorlopende (periodieke) aanspraak als hier aan de orde, moet voor de toetsing een splitsing worden aangebracht. Wat betreft de periode voorafgaande aan de aanvraag, dient de bestuursrechter zich te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het besluit worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd. Voor de periode na de aanvraag moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toets plaatsvinden. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen.


4.2.2.

In dit geval betreft het eerder genomen besluit een doorlopende (periodieke) aanspraak die is verlaagd als gevolg van een inhouding op het maandelijks uit te betalen bedrag van de nabestaandenuitkering van appellant.


4.3.

Het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft appellant niet bestreden. Nu er geen aanleiding is op dit punt tot een andere conclusie te komen, moet dit oordeel voor juist worden gehouden.


4.4.

Geen plaats is voor inhoudelijke toetsing van het besluit van 9 november 2009, voor zover dat de periode voorafgaand aan het verzoek betreft. In wat appellant heeft aangevoerd zijn geen zeer bijzondere omstandigheden gelegen die dit in het onderhavige geval anders maken.


4.5.

Wat betreft de periode vanaf het verzoek van 27 oktober 2012 is van belang dat het niet op de weg van de Svb ligt om de geldigheid van het beslag te beoordelen. Het oordeel daarover is voorbehouden aan de burgerlijke rechter, zodat de bestuursrechter daarover niet dient te oordelen. Bij de beoordeling van een betalingsbeslissing als in dit geding aan de orde, moet het gelegde beslag als een gegeven worden aanvaard. De bestuursrechter dient zijn toetsing te beperken tot het beantwoorden van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van deze betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Raad. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 31 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1632.


4.6.

Appellant heeft uitvoerig betoogd dat hij het bedrag in verband waarmee het beslag is gelegd niet verschuldigd is. Gelet op de overweging onder 4.5 kan deze stelling niet in de beoordeling worden betrokken.


4.7.

In dit geval zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Svb met de betalingsbeslissing niet binnen het kader van het beslag is gebleven.


4.8.

Met de vaststelling van het uit te betalen bedrag met ingang van november 2009 op

€ 640,68 netto per maand heeft de Svb de - door de deurwaarder opgegeven - beslagvrije voet van € 630,68 in acht genomen. Er zijn geen aanwijzingen - en appellant heeft dit ook niet gesteld - dat in de periode die hier in geding is het uit te betalen bedrag alsnog onder de beslagvrije voet is komen te liggen.


4.9.

In de aangevallen uitspraak is - gelet op de overwegingen onder 4.5 tot en met 4.8 - terecht geoordeeld dat de Svb wat betreft de periode vanaf het verzoek van 27 oktober 2012 bij een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging tot de bestreden afwijzing kon komen.


5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2015.




(getekend) T.L. de Vries




(getekend) D. van Wijk




CVG