Centrale Raad van Beroep, 19-06-2015 / 13-5372 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:1976

Inhoudsindicatie
Bij het inhouden en afdragen van het deel van het AOW-pensioen en de AIO-aanvulling is er geen ruimte voor een belangenafweging. Het bestreden besluit is niet ondeugdelijk gemotiveerd wat betreft de hoogte van de schuld en de duur van de inhouding. de Svb mag de beslagvrije voet niet zelf vaststellen, maar dient uit te gaan van het bedrag dat de deurwaarder bij de executie heeft opgegeven.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-19
Publicatiedatum
2015-06-25
Zaaknummer
13-5372 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5372 AOW

Datum uitspraak: 19 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

29 augustus 2013, 13/2178 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2015. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij vonnis van 27 september 2010 heeft de Kantonrechter te Amsterdam de vordering van appellant tegen zijn (voormalige) werkgever [BV] toegewezen. Dit vonnis is in hoger beroep door het Gerechtshof Amsterdam bij arrest van

28 juni 2011 vernietigd, waarbij de vordering alsnog is afgewezen. Appellant is daarbij veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg en hoger beroep aan de zijde van [BV] en het arrest is in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard.


1.2.

Deurwaarder Groenewegen en partners heeft op 31 januari 2013 onder de Svb executoriaal derdenbeslag gelegd in verband met een bedrag van € 639,32 dat appellant aan [BV] is verschuldigd. Daarbij is de Svb bevolen om gelden verschuldigd aan appellant onder zich te houden en ingehouden bedragen af te dragen.


1.3.

Bij besluit van 19 februari 2013 heeft de Svb vastgesteld dat op het AOW-pensioen en de AIO-aanvulling van appellant over februari 2013 € 114,44 wordt ingehouden.


1.4.

Vervolgens is bij besluit van 7 maart 2013 vastgesteld dat op het pensioen en de aanvulling over maart 2013 € 303,92 en op het pensioen en de aanvulling over april 2013

€ 219,09 wordt ingehouden.


1.5.

De bezwaren van appellant tegen de besluiten van 19 februari 2013 en 7 maart 2013 zijn bij besluit van 11 april 2013 ongegrond verklaard.


1.6.

Bij uitspraak van 6 mei 2013 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam het verzoek van appellant om een voorlopige voorziening afgewezen.


2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 11 april 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Overwogen is dat bij het inhouden en afdragen van het deel van het AOW-pensioen en de AIO-aanvulling er geen ruimte is voor een belangenafweging. Het bestreden besluit is niet ondeugdelijk gemotiveerd wat betreft de hoogte van de schuld en de duur van de inhouding. De rechtbank wijst erop dat de Svb appellant bij het besluit van

7 maart 2013 in kennis heeft gesteld van het nog resterende schuldbedrag. De Svb mag de beslagvrije voet niet zelf vaststellen, maar dient uit te gaan van het bedrag dat de deurwaarder bij executie heeft opgegeven.


3. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat in de aangevallen uitspraak de rechtspraak van de Raad over derdenbeslag onjuist is toegepast. Volgens appellant dient de Svb de beslagvrije voet zelf vast te stellen. Dit zou volgen uit de uitspraak van de Raad van

17 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN6011. Voorts is gesteld dat de Svb niet binnen het kader van het beslag is gebleven en het inkomen van appellant door de inhouding feitelijk onder de beslagvrije voet uitgekomen is.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In de aangevallen uitspraak is een juiste toepassing gegeven aan de rechtspraak van de Raad. Terecht is overwogen dat de Svb de beslagvrije voet niet zelf mag vaststellen, maar dient uit te gaan van het bedrag dat de deurwaarder bij de executie heeft opgegeven. De rechtbank heeft erop gewezen dat de Raad al in zijn uitspraak van 21 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9009, heeft geconstateerd dat de door appellant aangehaalde eerdere uitspraak van de Raad niet in overeenstemming is met zijn vaste rechtspraak. In aanvulling op de door de rechtbank genoemde rechtspraak wijst de Raad in dit verband nog op zijn uitspraken van 8 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3672, en 31 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1632. Uit de rechtspraak volgt dat de door de Svb te verrichten beoordeling geen ruimte laat voor een belangenafweging. Het ligt immers - zoals de Raad al vaker heeft overwogen - niet op de weg van de Svb om de geldigheid van het beslag te beoordelen.


4.2.

De stelling van appellant dat de Svb niet binnen het kader van het beslag is gebleven moet worden verworpen. De beslagvrije voet is vastgesteld op € 594,88 per maand, terwijl de uitbetaling van het (gezamenlijke) bedrag aan AOW-pensioen en AIO-aanvulling over de

maanden februari, maart en april 2013 steeds € 624,43 of hoger is geweest. Niet aannemelijk is daarom dat het inkomen van appellant door de inhouding feitelijk onder de beslagvrije voet zou zijn uitgekomen.


4.3.

Uit de overwegingen onder 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.








BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2015.




(getekend) T.L. de Vries




(getekend) D. van Wijk




CVG