Centrale Raad van Beroep, 12-06-2015 / 13-2122 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:1984

Inhoudsindicatie
De besluiten van 25 april 2005 en 10 juli 2007 betreffende ouderdoms pensioen en toeslag zijn onherroepelijk. Appellant heeft geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd. Vaste rechtspraak is dat rechterlijke uitspraken niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. Verzoek om herziening abi artikel 4:6 van de Awb en beleid SVB. Toetsing uitgangspunten beleid door de Raad. Gezien die uitgangspunten, is appellant met de ingangsdatum van de wijziging van de toeslag, 1 juni 2011, zeker niet benadeeld. Het beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol in samenhang met artikel 14 van het EVRM is niet onderbouwd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-12
Publicatiedatum
2015-06-25
Zaaknummer
13-2122 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2122 AOW

Datum uitspraak: 12 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 maart 2013, 12/3686 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.J. de Rijke, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2015. Voor appellant is verschenen mr. De Rijke voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door K. van Ingen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, geboren [in] 1940, heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij woont vanaf 21 maart 1970 in Nederland. Bij formulier gedagtekend 10 februari 2005 heeft appellant een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Zijn echtgenote, geboren [in] 1950, met eveneens de Marokkaanse nationaliteit, is vanaf haar geboorte woonachtig in Marokko. Bij besluit van 25 april 2005 is aan appellant een pensioen ingevolge de AOW toegekend, waarbij een korting is toegepast van 26% wegens (ruim) dertien

niet-verzekerde jaren. Bij besluit van 10 juli 2007 is aan appellant met ingang van 1 juli 2005 een toeslag toegekend op de AOW, waarbij een korting is toegepast van 80%. Het bezwaar tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.


1.2.

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 29 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:BR3965, waarbij de Raad heeft beslist dat aanspraken die werknemers ontlenen aan artikel 21 van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb 1972, 34, hierna NMV (oud)) onder de beschermende werking vallen van artikel 39 van dat Verdrag, heeft de Svb, bij besluit van 24 mei 2012 ambtshalve de toeslag op de AOW met ingang van 1 juni 2011 gewijzigd. Vanaf 1 juni 2012 bedraagt de toeslag € 581,96 bruto per maand. Opgemerkt wordt dat als gevolg van de uitspraak van de Raad de periode van 21 maart 1970 tot en met 31 oktober 2004 alsnog kan meetellen voor de AOW-opbouw van de echtgenote van appellant.


2.1.

In bezwaar is door appellant betoogd dat hij aanspraak maakt op een langere terugwerkende kracht dan tot 1 juni 2011.


2.2.

Bij besluit van 8 oktober 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar het door de Svb inzake artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de rechtspraak van de Raad gevoerde beleid. De toeslag is bij het besluit van 24 mei 2012 toegekend conform dit beleid.


3.1.

In beroep is namens appellant aangevoerd dat hij nimmer over de wijziging van het NMV is geïnformeerd. De Svb had de aanvraag van appellant in 2005 en het bezwaar uit 2007 ambtshalve moeten aanmerken als een verzoek om vrijwillige verzekering. Namens appellant is verder een beroep gedaan op artikel 1 van het Eerste Protocol in samenhang met

artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ten onrechte wordt er onderscheid gemaakt tussen de periode vóór en na 31 oktober 2004. Door de Svb is onder andere een brief in het geding gebracht gedateerd september 2005, waarbij appellant is geïnformeerd over de wijziging van het NMV en de mogelijkheid van vrijwillige verzekering. Opgemerkt wordt dat, gelet op de onder 1.2 genoemde uitspraak van de Raad, er geen grond bestaat om aan te nemen dat hetgeen namens appellant is aangevoerd kan leiden tot toelating tot de vrijwillige verzekering.


3.2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geconstateerd dat gezien de woonplaats van appellant de toenmalige rechtbank Breda bevoegd was. De rechtbank heeft geoordeeld dat de belangen van partijen niet zijn geschaad als de rechtbank zich niet onbevoegd acht.


3.3.

Ten gronde heeft de rechtbank geoordeeld dat de Svb op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de onder 1.2 genoemde uitspraak van de Raad door de periode van 21 maart 1970 tot 1 november 2004 alsnog aan te merken als verzekerde periode voor de echtgenote van appellant. De Svb was niet gehouden de periode na 31 oktober 2004 aan te merken als verzekerde periode nu vanaf 1 november 2004 voor de echtgenote van appellant de mogelijkheid openstond om zich vrijwillig te verzekeren. Dat de echtgenote van appellant van de mogelijkheid van vrijwillige verzekering geen gebruik heeft gemaakt, komt voor haar rekening en risico. De herziening van de toeslag is conform het door de Svb gevoerde beleid. Dat de Svb niet heeft bezien of er geen grond bestond voor een verdergaande terugwerkende kracht, is niet gebleken. Het beroep dat appellant heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen, aangezien dit beroep op geen enkele manier is onderbouwd. Het beroep wordt ongegrond verklaard.


4.1.

In hoger beroep worden namens appellant de in de eerdere fasen van de procedure aangevoerde gronden in essentie herhaald.


4.2.

Ambtshalve wordt het volgende overwogen. Op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht was gelet op het feit dat appellant ten tijde van het indienen van het beroep woonplaats had in [woonplaats], niet de rechtbank Oost-Brabant, maar de toenmalige rechtbank Breda bevoegd om op het beroep te beslissen. De rechtbank

Oost-Brabant heeft het beroep behandeld omdat naar haar oordeel de belangen van partijen daarmee niet waren geschaad. In de gegeven omstandigheden is er aanleiding om met toepassing van artikel 8:117 van de Awb de onbevoegdheid van de rechtbank voor gedekt te verklaren en de aangevallen uitspraak als bevoegdelijk gedaan aan te merken.


4.3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.4.

Voorop moet staan dat op de aanvraag om ouderdomspensioen en toeslag reeds is beslist bij besluiten van 25 april 2005 en 10 juli 2007. Deze besluiten zijn onherroepelijk geworden. Namens appellant is niet gesteld dat er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Vaste rechtspraak is dat rechterlijke uitspraken niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. In het bestreden besluit heeft de Svb een uiteenzetting gegeven van het beleid van de Svb inzake het terugkomen van een eerder, onherroepelijk geworden, besluit. Uit artikel 4:6 van de Awb volgt dat de Svb bevoegd is te volstaan met verwijzing naar het eerdere besluit, tenzij van die bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik kan worden gemaakt. In dit laatste geval hanteert de Svb als beleid dat zij zich in redelijkheid gehouden acht om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit indien dit besluit onmiskenbaar onjuist moet worden geacht. Ten aanzien van de in zo’n geval te hanteren terugwerkende kracht wordt in het beleid van de Svb een aantal gevallen onderscheiden. Zo kan de onjuistheid van het besluit het gevolg zijn van een fout van de Svb. Daarvan is sprake als de Svb op basis van de gegevens die ten tijde van de toekenning beschikbaar waren of die bij een normaal onderzoek van de Svb beschikbaar zouden zijn geweest, de uitkering correct had kunnen vaststellen aan de hand van de toen geldende wetgeving en beleidsregels en de belanghebbende alle relevante informatie heeft verstrekt. Voorts kan een besluit op enig moment onjuist worden geacht als gevolg van een wijziging van het beleid van de Svb ten gunste van belanghebbenden. In zo’n geval beslist de Svb per categorie van gevallen of, en zo ja met welke terugwerkende kracht, uitkeringen moeten worden herzien. Als het nieuwe beleid is gebaseerd op een rechterlijke uitspraak dan zal de beleidswijziging in het algemeen ingaan op de datum van die uitspraak. Herziening zal plaatsvinden met terugwerkende kracht van ten hoogste één jaar. In bijzondere gevallen kan de uitkering met een langere terugwerkende kracht worden herzien, maar ook dan tot ten hoogste de ingangsdatum van het nieuwe beleid dan wel de datum van de rechterlijke uitspraak.


4.5.

Nu de Svb gevallen als het onderhavige beoordeelt aan de hand van de hiervoor (verkort) weergegeven uitgangspunten dient de Raad te toetsen of de Svb heeft gehandeld in strijd met deze uitgangspunten. De Raad heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden om deze vraag bevestigend te beantwoorden. Primair moet worden vastgesteld dat van een fout, als omschreven onder 4.3, in het onderhavige geval geen sprake is. Verder moet worden vastgesteld dat nu in het onderhavige geval de grond om terug te komen van het besluit van 10 juli 2007 is gelegen in de onder 1.2 genoemde uitspraak van de Raad, appellant, gezien de onder 4.3 beschreven uitgangspunten, met de ingangsdatum van de wijziging van de toeslag, 1 juni 2011, zeker niet benadeeld. Ook anderszins kan niet worden gezegd dat de toepassing van de hiervoor beschreven uitgangspunten in de onderhavige zaak, gezien de door appellant aangevoerde gronden, in strijd komt met het recht.


4.6.

Het betoog van appellant dat ook na 31 oktober 2004 sprake is van huwelijkse tijdvakken die niet tot korting mogen leiden op de toeslag, slaagt niet. Voor zover dit betoog ziet op de onbekendheid met de per die datum doorgevoerde wijzigingen in het NMV, kan worden volstaan met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 29 juli 2011, genoemd onder 1.2. Het betoog dat er sprake zou zijn geweest van een impliciete aanvraag om vrijwillige verzekering, vindt geen grondslag in de stukken. De rechtbank heeft deze grond dan ook met recht verworpen. Het beroep dat namens appellant is gedaan op artikel 1 van het Eerste Protocol in samenhang met artikel 14 van het EVRM is, ook desgevraagd, niet nader onderbouwd. Ook die grond slaagt derhalve niet.


4.7.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2015.



(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) G.J. van Gendt




ew