Centrale Raad van Beroep, 17-06-2015 / 13-6177 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1986

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de daaruit getrokken conclusies.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-17
Publicatiedatum
2015-06-25
Zaaknummer
13-6177 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6177 ZW

Datum uitspraak: 17 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

15 oktober 2013, 13/1218 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. U. Ugur, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 24 januari 2014 heeft mr. L. Leenders, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2015 waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. K. Aslan, advocaat en kantoorgenoot van mr. Leenders, en M. Cordes, tolk. Het Uwv heeft zich - met bericht - niet doen vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is via een uitzendbureau 40 uur per week werkzaam geweest als productiemedewerkster. Zij is op 1 oktober 2012 uitgevallen omdat zij haar linkerarm niet kon gebruiken wegens klachten aan haar linkerschouder. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) vanaf

24 oktober 2012 beëindigd, omdat appellante op die datum in staat wordt geacht haar werkzaamheden van productiemedewerkster te verrichten.


1.2.

Het Uwv heeft het tegen het besluit van 24 oktober 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 24 januari 2013 (bestreden besluit).


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen redenen gezien om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de daaruit getrokken conclusies. Voor zover appellante heeft gesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep beperkingen had moeten aannemen wegens de bij appellante gediagnosticeerde dysthyme stoornis, heeft de rechtbank overwogen dat psycholoog G. Duran deze diagnose niet op grond van eigen bevindingen heeft onderbouwd. Hierin heeft de rechtbank dan ook geen aanleiding gezien tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen over de psychische belastbaarheid van appellante. Het verzoek om benoeming van een onafhankelijke deskundige wordt om die reden afgewezen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de door de huisarts genoemde bewegingsbeperking in de schouderregio links niet betekent dat ook een beperking voor arbeid moet worden aangenomen. De rechtbank heeft tot slot geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de nadere onderbouwing van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat geen rekening hoeft te worden gehouden met de bijwerkingen van medicatie.


3.1.

Appellante kan zich niet verenigen met deze uitspraak en heeft in hoger beroep in essentie herhaald wat zij in beroep had aangevoerd. Kort weergegeven houden de beroepsgronden in dat er verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen, omdat sprake is van psychische klachten en psycholoog Duran de diagnose dysthyme stoornis heeft gesteld, de huisarts een bewegingsbeperking heeft vastgesteld en er sprake is van bijwerkingen door medicijngebruik.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.


4.2.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Voorts wordt overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldigheid heeft betracht door informatie bij de huisarts op te vragen. Deze verzekeringsarts is echter vervolgens niet gehouden de verkregen informatie over te nemen aangezien uit zijn rapport van 14 december 2012 duidelijk blijkt dat zijn bevindingen op basis van zorgvuldig onderzoek daartoe geen aanleiding hebben gegeven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende inzichtelijk en gemotiveerd weergegeven waarom appellante vanaf 24 oktober 2012 niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht ingevolge de ZW.


4.3.

Ook de overwegingen van de rechtbank over de door psycholoog Duran gestelde diagnose worden onderschreven. Bovendien is een diagnose als zodanig niet doorslaggevend voor de vraag of sprake is van ziekte of arbeidsongeschiktheid en dient in een individuele situatie steeds te worden beoordeeld in hoeverre sprake is van objectieve beperkingen tot het verrichten van arbeid (vgl. ECLI:NL:CRVB:2012:BX2679). Ofschoon psycholoog Duran de diagnose dysthyme stoornis heeft gesteld, volgt uit het door haar ingevulde diagnoseformulier niet dat er aanleiding is appellante op 24 oktober 2012 beperkt te achten voor haar werk van productiemedewerkster.


4.4.

Over de genoemde bijwerkingen van het medicijngebruik heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn nadere toelichting van 15 mei 2013 vermeld dat tijdens de anamnese klachten als gevolg van bijwerkingen van de medicatie niet hinderlijk aanwezig waren in het dagelijks leven, zodat op grond daarvan evenmin reden bestaat voor het aannemen van beperkingen op de datum in geding.


4.5.

Uit de overwegingen 4.2. tot en met 4.4. volgt dat ook in hoger beroep geen aanleiding bestaat om een deskundige te benoemen. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Omdat het hoger beroep niet slaagt, volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Awb dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.


5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en F.M.S. Requisizione en

P.H. Banda als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015.



(getekend) C.C.W. Lange




(getekend) B. Fotchind



HD