Centrale Raad van Beroep, 10-06-2015 / 13-6818 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1987

Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante gemotiveerd verworpen. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Uit het niet inroepen van artikel 42 van de Fw door de curator blijkt niet dat al eerder dan op 13 november 2012 sprake was van betalingsonmacht. Hiervan uitgaande heeft het Uwv terecht een ZW-uitkering toegekend met ingang van 31 december 2012.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-10
Publicatiedatum
2015-06-25
Zaaknummer
13-6818 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6818 ZW, 13/6819 WW

Datum uitspraak: 10 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 november 2013, 13/2908 en 13/2909 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Hoogendonk hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is met ingang van 1 april 2012 in dienst getreden van [werkgeefster] (werkgeefster). Zij heeft op 1 oktober 2012 bij het Uwv een aanvraag ingediend om overneming van de betalingsverplichtingen van de werkgeefster op grond van artikel 61 en volgende van de Werkloosheidswet (WW). Op 2 oktober 2012 heeft zij een faillissementsrekest ingediend bij de rechtbank Amsterdam. Met ingang van 12 november 2012 heeft appellante zich ziek gemeld.


1.2.

De werkgeefster is op 13 november 2012 in staat van faillissement verklaard, waarna de curator de dienstbetrekking met appellante bij brief van 16 november 2012 heeft opgezegd. Bij besluit van 20 november 2012 heeft het Uwv appellante een voorschot toegekend op de uitkering wegens betalingsonmacht.


1.3.

Bij besluit van 8 januari 2013 heeft het Uwv de uitkering vastgesteld, bestaande uit bedragen ter zake van loon, vakantiegeld, vakantie-uren en reiskosten. Hierbij is het Uwv ervan uitgegaan dat de betalingsonmacht van de werkgeefster in ingetreden op 13 november 2012, de dag waarop het faillissement is uitgesproken, en dat de opzegtermijn liep tot en met 28 december 2012. Bij beslissing op bezwaar van 6 mei 2013 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv dit standpunt gehandhaafd en het bezwaar van appellante tegen het besluit van

8 januari 2013 ongegrond verklaard.


1.4.

Bij besluit van 28 december 2012 heeft het Uwv, ervan uitgaande dat appellantes dienstverband met ingang van 29 december 2012 is geëindigd, appellante met ingang van

31 december 2012 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Het bezwaar is ongegrond verklaard en het besluit is gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 8 mei 2013 (bestreden besluit 2).


2. De rechtbank heeft de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat in geval van faillietverklaring geen nader onderzoek naar de betalingsonmacht van een werkgever behoeft te worden verricht en dat in een dergelijke situatie de bewijslast voor het aannemen van een eerder moment van betalingsonmacht op de werknemer rust. Indien een begin van bewijs is geleverd rust vervolgens op het Uwv de verplichting om nader onderzoek te doen. Naar het oordeel van de rechtbank is appellante niet in haar bewijslast geslaagd en heeft het Uwv in de enkele stelling van appellante dat haar verzoek tot faillietverklaring van de werkgeefster door een fout van de rechtbank niet op 30 oktober 2012 kon worden behandeld, maar eerst op

13 november 2012, terwijl zich in de tussenliggende periode geen wijzigingen hebben voorgedaan, geen begin van bewijs behoeven te zien voor betalingsonmacht per 30 oktober 2012. De rechtbank kwam tot de conclusie dat het Uwv terecht 13 november 2012 als ingangsdatum voor de overname van de betalingsverplichtingen van de werkgeefster heeft aangemerkt. Daaruit volgde dat de ZW-uitkering, met inachtneming van twee wachtdagen, niet eerder dan op 31 december 2012 kon ingaan.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat de werkgeefster al vóór

13 november 2012 in een toestand van blijvende betalingsonmacht verkeerde. Volgens haar had het Uwv 30 oktober 2012, de aanvankelijke behandeldatum van het verzoek tot faillietverklaring, moeten beschouwen als moment van het intreden van de betalingsonmacht. Hierbij heeft appellante erop gewezen dat louter door een fout van de rechtbank de behandeling van dat verzoek is uitgesteld tot 13 november 2012, terwijl in de tussentijd niets was gewijzigd, hetgeen volgens haar ook blijkt uit het gegeven dat de curator geen rechtshandelingen heeft vernietigd met toepassing van artikel 42 van de Faillissementswet (Fw).


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens het Uwv levert het niet-inroepen van artikel 42 van de Fw geen begin van bewijs van betalingsonmacht per een eerdere datum op.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar overweging 5 van de aangevallen uitspraak.


4.2.

De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante gemotiveerd verworpen. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Het in hoger beroep gedane beroep op het niet inroepen van artikel 42 van de Fw door de curator slaagt niet, omdat daaruit, zoals het Uwv terecht heeft opgemerkt, slechts kan worden afgeleid dat geen sprake is geweest van paulianeus handelen. Dat al eerder dan op 13 november 2012 sprake was van betalingsonmacht blijkt daaruit niet.


4.3.

Nu 13 november 2012 terecht als ingangsdatum van de betalingsonmacht is aangenomen, heeft het Uwv de laatste dag van het dienstverband van appellante terecht gesteld op

28 december 2012 en heeft hij eveneens terecht een ZW-uitkering toegekend met ingang van

31 december 2012.


4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2015.




(getekend) H.G. Rottier




(getekend) B. Fotchind




NK