Centrale Raad van Beroep, 17-06-2015 / 14-928 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:1988

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Geen aanknopingspunten om het onderzoek door de verzekeringsarts voor onzorgvuldig te houden of de medische beoordeling voor onjuist te houden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-17
Publicatiedatum
2015-06-29
Zaaknummer
14-928 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/928 ZW

Datum uitspraak: 17 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

22 januari 2014, 13/7693 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Kuijper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2015. Voor appellante is verschenen mr. Kuijper. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. dr. J.H. Ermers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, laatstelijk werkzaam als medewerkster thuiszorg, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet per 24 juli 2012 ziek gemeld wegens arm-, hand- en beenklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Appellante heeft meerdere malen het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, voor het laatst op 10 juli 2013. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante per 12 juli 2013 weer geschikt kan worden geacht voor haar werk als medewerkster thuiszorg. Bij besluit van 10 juli 2013 heeft het Uwv dienovereenkomstig het recht op ziekengeld met ingang van 12 juli 2013 beëindigd.


1.2.

Na een herbeoordeling door een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 juli 2013 bij besluit van 18 september 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij aandoeningen heeft als gevolg waarvan zij niet in staat kan worden geacht haar functie van medewerkster thuiszorg te verrichten. Dit betreffen klachten aan haar (linker)schouder en been. Ook ondervindt zij nog immer klachten als gevolg van Diabetes Mellitus. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante medische informatie overgelegd van de huisarts, de behandelend reumatoloog, orthopedisch chirurg en internist.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.


4.2.

Er zijn geen aanknopingspunten om het onderzoek door de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) voor onzorgvuldig te houden. De verzekeringsarts heeft appellante meerdere malen lichamelijk en psychisch onderzocht en beschikte bij de boordeling over de informatie van de orthopedisch chirurg van 21 juni 2013 waaruit blijkt dat bij een MRI geen afwijkingen werden gevonden, maar dat sprake was van valgusknieën bij een goede functie, zonder secundaire tekenen van gonartrose. De prognose is volgens de orthopedisch chirurg gunstig mits appellante zich houdt aan de adviezen om af te vallen en adequaat te trainen. Tevens was de verzekeringsarts op de hoogte van de omstandigheid dat appellante al tien jaar klachten heeft als gevolg van Diabetes Mellitus. Deze bevindingen in overweging nemend is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellante per 12 juli 2013 op medische gronden geschikt moet worden geacht voor haar werk als medewerker thuiszorg.


4.3.

Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier bestudeerd en heeft hij appellante op het spreekuur van 17 september 2013 onderzocht. Bij dit onderzoek konden de wisselend gepresenteerde klachten niet worden bevestigd. Er werd een goede belastbaarheid van de linkerschouder/arm gezien, bij een normale belastbaarheid van de benen. Nu uit het onderzoek door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is gebleken dat appellante laatstelijk voor 16 tot 18 uur per week werkzaam was, kan de medische onderbouwing door de verzekeringsarts (die is uitgegaan van een arbeidsomvang van 36 uur per week) volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep volledig worden gehandhaafd.


4.4.

In beroep heeft appellante informatie overgelegd van de huisarts van 12 augustus 2013 en 4 december 2013. Hieruit blijkt volgens appellante dat zij sinds juli 2013 voetklachten heeft ontwikkeld. In het rapport van 11 december 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven dat deze informatie de nadruk legt op deze voetklachten, maar dat appellante wegens knieklachten door de huisarts is verwezen naar de orthopedisch chirurg. Bij de orthopedisch chirurg noch bij het onderzoek van de verzekeringsarts heeft appellante klachten in deze richting aangegeven. Bij het eigen onderzoek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten slotte geen bevindingen gedaan die bij dergelijke voetklachten zouden passen. Er bestaat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook geen aanleiding het standpunt, dat appellante per 12 juli 2013 weer geschikt kan worden geacht voor haar werk als medewerkster thuiszorg, te wijzigen.


4.5.

De in hoger beroep overgelegde medische informatie kan niet leiden tot het oordeel dat het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist zou zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat deze informatie deels al bekend was bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep en, zoals ook door de gemachtigde van appellante ter zitting is erkend, niet ziet op de datum hier in geding. Hieruit volgt dat het Uwv op goede gronden het recht op ziekengeld van appellante met ingang van 12 juli 2013 heeft beëindigd.


4.6.

Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en F.M.S. Requisizione en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2015.




(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) H.J. Dekker




HD