Centrale Raad van Beroep, 23-06-2015 / 14-2805 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1992

Inhoudsindicatie
Maatregelen. Recidive.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-23
Publicatiedatum
2015-06-25
Zaaknummer
14-2805 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2805 WWB

Datum uitspraak: 23 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

30 april 2014, 13/2694 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Kok, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kok. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving ten tijde hier van belang bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

Op hem rustte op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB de verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling. In het kader van zijn re-integratietraject is appellant op 2 november 2011 aangemeld voor en daarna gestart op een participatieplaats.


1.2.

Op 19 december 2011 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de werkcoach, de arbeidsconsulent en appellant (driegesprek). Tijdens dit gesprek is appellant aangesproken op zijn gedrag omdat hij regelmatig te laat komt op afspraken, een onverschillige houding aanneemt en ongemotiveerd overkomt. Bij die gelegenheid heeft appellant toegezegd zijn gedrag te zullen verbeteren. Op de grond dat appellant onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de aangeboden re-integratievoorziening heeft het college appellant bij besluit van

3 januari 2012 een schriftelijke waarschuwing gegeven. Er is afgezien van het opleggen van een maatregel om het traject, dat met ingang van 2 januari 2012 is gestart op een andere participatieplaats, niet te stagneren en omdat het een eerste maatregelwaardige gedraging betreft. Het college heeft appellant wel duidelijk gemaakt dat indien hij binnen een jaar deze of een andere verplichting weer niet nakomt, zijn bijstand bij wijze van maatregel wordt verlaagd.


1.3.

Bij besluit van 10 mei 2012 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van

1 juni 2012 bij wijze van maatregel met 5% gedurende een maand verlaagd omdat hij zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen door geen melding te maken van een eenmalige, in december 2011 ontvangen pensioenuitkering van € 62,38.


1.4.

Tegen de besluiten van 3 januari 2012 en 10 mei 2012 heeft appellant geen bezwaar gemaakt.


1.5.

Omdat appellant zich niet aan de gemaakte afspraken houdt en zich regelmatig ziek meldt, heeft op 24 oktober 2012 wederom een driegesprek plaatsgevonden. Naar aanleiding van de door appellant tijdens dit gesprek ingenomen houding is besloten het

re-integratietraject voortijdig te beëindigen. Bij besluit van 22 november 2012 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2012 bij wijze van maatregel voor de duur van twee maanden verlaagd met 100% omdat hij onvoldoende heeft meegewerkt aan een

re-integratievoorziening. De duur van de maatregel is verdubbeld omdat sprake is van recidive binnen twaalf maanden na, onder meer, de vorige verwijtbare gedragingen die hebben geleid tot de onder 1.2 en 1.3 genoemde besluiten. Het bezwaar tegen het besluit van 22 november 2012 is bij besluit van 9 april 2013 wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.


1.6.

Op 29 oktober 2012 is appellant gestart met (een assessment voor) een nieuw traject. Omdat hij zich op 13 november 2012 ziek heeft gemeld is appellant ter vaststelling van zijn beperkingen opgeroepen voor een medische en arbeidskundige keuring op 18 december 2012.


1.7.

Appellant heeft zich op 18 december 2012 afgemeld voor de medische keuring omdat hij met griep in bed lag. Naar aanleiding van deze ziekmelding hebben twee handhavingspecialisten van het college dezelfde dag omstreeks 13.30 uur een onaangekondigd bezoek gebracht aan de woning van appellant. In het rapport van bevindingen van dezelfde datum hebben zij opgetekend dat appellant niet heeft gereageerd op twee maal aanbellen bij zijn voordeur en twee maal hard op de deur kloppen, hij niet bereikbaar was op zijn mobiele telefoon en zijn auto niet werd aangetroffen in de straat van zijn woning. Op 14 januari 2013 heeft appellant tijdens een gesprek op kantoor van het college herhaald dat hij op 18 december 2012 ziek thuis was, hij niet in staat was om naar de keuringsarts te gaan en dat hij ongeveer een maand geleden voor het laatst bij de huisarts was. De broer van appellant had naar zijn zeggen mogelijk op die dag zijn auto in gebruik.


1.8.

Bij besluit van 30 januari 2013 heeft het college appellant meegedeeld dat uit een medische keuring is gebleken dat hij volledig arbeidsgeschikt is zodat de arbeidsverplichtingen onverkort op hem van toepassing zijn.


2. Bij besluit van 26 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 mei 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant bij wijze van maatregel met ingang van 1 maart 2013 voor de duur van drie maanden met 100% verlaagd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet is verschenen op een startbijeenkomst op

4 februari 2013, waarvoor hij was uitgenodigd. Bij de duur van de maatregel heeft het college betrokken dat de gedraging heeft plaatsgevonden binnen twaalf maanden na de voorgaande gedraging die heeft geleid tot de onder 1.5 vermelde maatregel.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk dat appellant de uitnodigingsbrief van 1 februari 2013 voor de startbijeenkomst op 4 februari 2013 heeft ontvangen, zodat het bestreden besluit niet is gebaseerd op een voldoende feitelijke grondslag. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand gelaten op het nader door het college ingenomen standpunt dat appellant zich zonder goede reden heeft afgemeld voor de medische keuring op 18 december 2012. Met het college merkt de rechtbank deze gedraging aan als het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college geen gebruik heeft kunnen maken van de in de Verordening maatregelen inkomensvoorzieningen Utrecht 2012 (Verordening) neergelegde bevoegdheid de bijstand bij wijze van maatregel voor de duur van drie maanden met 100% te verlagen.


4. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.1.

Het niet meewerken aan een medische keuring betreft een overtreding van de verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Het college is op grond van deze overtreding, met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB, gehouden de bijstand te verlagen tenzij elke verwijtbaarheid ontbreekt. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 10 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:343) vloeit uit het uitzonderingskarakter van de laatste volzin van artikel 18, tweede lid, van de WWB voort dat, anders dan appellant heeft aangevoerd, op appellant de bewijslast rust dat hem geen enkel verwijt treft en meer in het bijzondere dat hij door ziekte niet in staat was de keuring op

18 december 2012 te ondergaan.


5.1.2.

Appellant is in deze bewijslast niet geslaagd. Appellant heeft zich weliswaar wegens ziekte afgemeld voor de medische keuring op 18 december 2012, maar zoals uit 1.7 is op te maken hebben de handhavingspecialisten appellant op deze dag op geen enkele wijze kunnen bereiken en dus ook niet kunnen vaststellen of appellant ziek thuis was. De Raad komt dan ook met de rechtbank tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat appellant wegens ziekte niet in staat was te verschijnen op de medische keuring. Dat appellant, zoals hij heeft aangevoerd, zijn stelling niet met medische gegevens heeft kunnen onderbouwen omdat zijn huisarts geen medische rapportages afgeeft, neemt niet weg dat hij in ieder geval een huisartsenjournaal van zijn bezoek aan de huisarts in de procedure had kunnen brengen. Hieraan staat, anders dan appellant betoogt, niet in de weg dat het een ziekmelding op

18 december 2012 betreft en betrokkene daarover eerst op 14 januari 2013 is gehoord.


5.2.

De rechtbank heeft daarnaast terecht vastgesteld dat het niet meewerken aan een medisch onderzoek op grond van artikel 2.1, aanhef en derde lid, onder c, van de Verordening een gedraging van de derde categorie vormt. Uit artikel 2.2, tweede lid, onder c, van de Verordening volgt dat bij een gedraging van de derde categorie de bijstand wordt verlaagd met 100%. Op grond van artikel 2.4, tweede lid, van de Verordening kan het college de bijstand voor de duur van drie maanden verlagen bij iedere volgende verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie die plaatsvindt binnen twaalf maanden nadat ten aanzien van de voorafgaande gedraging twee maanden verlaging is toegepast op grond van een tweede verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie.


5.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het college bij het besluit van 22 november 2012 ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de recidivebepaling in de zin van artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (recidivebepaling). Dit standpunt berust op een onjuiste uitleg van de recidivebepaling. Nu vaststaat dat het college bij het onder 1.3 vermelde besluit van 10 mei 2012 een maatregel heeft opgelegd met betrekking tot een gedraging van de eerste categorie én hierop binnen twaalf maanden de onder 1.5 genoemde maatregelwaardige gedraging van de derde categorie is gevolgd, is wel degelijk voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van de recidivebepaling. Het standpunt van appellant dat er voor toepassing van de recidivebepaling een voorafgaande gedraging van een gelijkwaardige of hogere categorie moet zijn, kan de Raad niet volgen. Aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.4, tweede lid, van de Verordening is voldaan. Het college heeft daarom gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid de duur van de maatregel vast te stellen op drie maanden.


5.4.

Dat de maatregel disproportioneel is omdat appellant in de periode van december 2012 tot en met mei 2013 gedurende vijf maanden verstoken is geweest van bijstand, met alle financiële problemen van dien, is op zichzelf niet voldoende steekhoudend voor het oordeel dat het college de maatregel had behoren te matigen. Hierbij benadrukt de Raad dat het de verantwoordelijkheid van appellant zelf is om zich in te zetten voor een door het college aangeboden voorziening in het kader van een re-integratietraject. Bovendien heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de opgelegde maatregel voor hem tot onoverkomelijke problemen heeft geleid.


5.5.

Uit wat onder 5.1.1 tot en met 5.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en J.F. Bandringa en S. Hindriks-Roose als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) J.L. Meijer



HD