Centrale Raad van Beroep, 23-06-2015 / 13-6399 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1994

Inhoudsindicatie
Verlaging bijstandsnorm volgens Verordening. Geen sprake van een zeer bijzondere situatie. Voor het standpunt van appellante dat zij in de gelegenheid had moeten worden gesteld te reageren op het advies naar aanleiding van het bezwaar, bestaan geen aanknopingspunten in de wet.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-23
Publicatiedatum
2015-06-25
Zaaknummer
13-6399 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6399 WWB

Datum uitspraak: 23 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

22 oktober 2013, 13/1112 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Dongeradeel (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft L. Smidt hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2015. Voor appellante is Smidt verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.D. Dorenbos.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante, geboren [in] 1991, heeft op 14 september 2012 een aanvraag om bijstand ingediend.


1.2.

Bij besluit van 31 oktober 2012 heeft het college appellante met ingang van 14 september 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) verleend naar de norm voor een alleenstaande zonder toeslag op de grond dat appellante alleenstaand en 21 jaar is. Tevens heeft het college appellante gewezen op de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB .


1.3.

Bij besluit van 19 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2012 deels gegrond verklaard in die zin dat appellante tijdelijk wordt ontheven van de sollicitatieplicht. Voor het overige heeft het college dat besluit gehandhaafd. Het college is niet gebleken van een zeer bijzondere situatie van appellante ten opzichte van andere 21-jarigen op grond waarvan een afwijkende vaststelling van de toeslag dient plaats te vinden.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij in de gelegenheid had moeten worden gesteld om haar zienswijze te geven op het advies naar aanleiding van het bezwaarschrift tegen het besluit van 31 oktober 2012. De rechtbank is daar ten onrechte niet op ingegaan. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank haar oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in haar geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden, niet heeft gemotiveerd. Het college heeft zich in het bestreden besluit beperkt tot een inkomensvergelijking met andere

21-jarigen. Anders dan appellante hebben die ‘anderen’ de keuze om al dan niet te werken, terwijl bij appellante niet alleen sprake is van een ontheffing van de sollicitatieverplichting maar ook van een zorgtraject met een door het college verplicht gestelde behandeling.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Appellante is op 31 januari 2013 gehoord op haar bezwaar. Vervolgens heeft het college na het uitbrengen van het advies naar aanleiding van het bezwaar, op grondslag van het bezwaar het besluit van 31 oktober 2012 heroverwogen. Voor het standpunt van appellante dat zij in de gelegenheid had moeten worden gesteld te reageren op het advies naar aanleiding van het bezwaar, bestaan geen aanknopingspunten in de wet.


4.2.

Artikel 29, eerste lid, van de WWB bepaalt dat het college de toeslag als bedoeld in artikel 25 van de WWB voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend kan vaststellen voor zover het van oordeel is dat gezien de hoogte van het minimumloon, de hoogte van deze toeslag een belemmering kan vormen voor de aanvaarding van arbeid.


4.3.

Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de WWB stelt de gemeenteraad vast voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.


4.4.

Ter uitvoering van deze bepalingen heeft de raad van de gemeente Dongeradeel op

29 april 2010 de Toeslagenverordening WWB 2010 (de Verordening) vastgesteld. Deze verordening is op 1 januari 2010 in werking getreden.


4.5.

In hoofdstuk 3 van de Verordening, bestaande uit de artikelen 4 en 5, zijn de criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm vastgelegd. Artikel 5, eerste lid, onder a, van de Verordening bepaalt dat de verlaging als bedoeld in artikel 29 van de WWB 20 procent van de gezinsnorm bedraagt indien de belanghebbende 21 jaar is. Overeenkomstig artikel 30 van de WWB gaat de Verordening uit van een categoriale benadering. Daarbij is anders dan appellante voorstaat geen plaats voor een op de betrokken persoon gerichte beoordeling.


4.6.

Het vorenstaande laat onverlet dat het college op grond van artikel 30, vierde lid, in verbinding met artikel 18, eerste lid, van de WWB de mogelijkheid heeft om de toeslag met een lager percentage dan 20% van het netto-minimumloon te verlagen of om van verlaging af te zien. Op grond van laatstgenoemd artikel is het college verplicht de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Deze verplichting kan in zeer bijzondere situaties meebrengen dat bij de verlening van bijstand op grond van de omstandigheden van het individuele geval wordt afgeweken van de in artikel 5 van de Verordening neergelegde regels voor de verlaging. In dat verband heeft appellante erop gewezen dat de bijzondere omstandigheden zijn gelegen in de (tijdelijke) ontheffing van de sollicitatieplicht in combinatie met een verplichting tot het volgen van therapie in verband met psychische problemen. Daarnaast werkt zij in deeltijd in een zwembad, maar kan van het daarmee verdiende inkomen niet rondkomen. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat in deze omstandigheden geen grond gelegen is voor het oordeel dat sprake is van een zeer bijzondere situatie die een afwijking van artikel 5 van de Verordening rechtvaardigt.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en G.M.G. Hink en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2015.




(getekend) M. Hillen




(getekend) C.M. Fleuren




HD