Centrale Raad van Beroep, 23-06-2015 / 13-5812 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:1996

Inhoudsindicatie
Geen bijstand wegens verblijf buiten Nederland langer dan vier aaneengesloten weken. Geen indicatie voor medische behandeling in buitenland.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-23
Publicatiedatum
2015-06-25
Zaaknummer
13-5812 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/147
Uitspraak

13/5812 WWB

Datum uitspraak: 23 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

24 september 2013, 13/1987 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. R. Shahabazi, advocaat, heeft zich gesteld als opvolgend gemachtigde van appellante.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 12 mei 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving ten tijde hier van belang bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Zij heeft op 24 december 2012 bij het college opgave gedaan van haar voorgenomen verblijf in het buitenland vanaf 1 januari 2013. Appellante had gepland tot en met 1 maart 2013 in het buitenland te verblijven.


1.2.

Bij besluit van 8 januari 2013 heeft het college bepaald dat het verblijf van appellante in het buitenland vanaf 30 januari 2013 niet is toegestaan omdat dan sprake is van een verblijf langer dan vier weken. Om die reden heeft appellante over de periode van 30 januari 2013 tot en met 1 maart 2013 geen recht op bijstand. Bij besluit van 26 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 januari 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB bepaalt dat geen recht op bijstand heeft degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland.


4.2.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college aan iemand die geen recht op bijstand heeft toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen daartoe noodzaken.


4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante van 1 januari 2013 tot en met 1 maart 2013 in India heeft verbleven en dat zij over de periode van 30 januari 2013 tot en met

1 maart 2013 in beginsel geen recht op bijstand had. Volgens appellante zijn in haar omstandigheden zeer dringende redenen gelegen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB om over die periode toch bijstand te verlenen. Appellante heeft in verband met haar psychische klachten van 4 januari 2013 tot 7 februari 2013 in India een Ayurvedische behandeling ondergaan. Volgens appellante was het verblijf van 7 februari 2013 tot haar terugreis naar Nederland noodzakelijk voor bezinning en revalidatie.


4.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 30 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3175) moet voor het aannemen van zeer dringende redenen vaststaan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, waardoor het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Van een acute noodsituatie is sprake bij een situatie van levensbedreigende aard of een situatie die blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het afzien van de behandeling en het daarop aansluitende verblijf in India zouden hebben geleid tot een acute noodsituatie als hiervoor bedoeld.


4.5.

Uit het bestreden besluit en het verweerschrift blijkt dat het college beleid voert op grond waarvan het onder voorwaarden mogelijk is om met behoud van bijstand langer dan vier weken in het buitenland te verblijven als in het buitenland een medische behandeling wordt ondergaan. Appellante heeft aangevoerd dat aan de in het beleid opgenomen daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. Dit standpunt kan niet worden onderschreven. Zo heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat voldaan is aan de voorwaarde dat de behandeling in het buitenland plaats moet vinden op indicatie van de behandelend arts. De door appellante in het geding gebrachte informatie uit India waaruit, voor zover leesbaar, alleen blijkt dat zij daar door stress een behandeling heeft ondergaan van 4 januari 2013 tot en met 7 februari 2013, is niet een dergelijke indicatie. Appellante heeft erkend dat haar behandelend artsen in Nederland niet bereid waren om een indicatie of een daarmee gelijk te stellen verklaring over de noodzaak van een behandeling in India af te geven. Het college heeft daarom terecht ook in het beleid geen grond gezien om over de periode van 30 januari 2013 tot en met 1 maart 2013 bijstand te verlenen.


4.6.

Ook het beroep van appellante op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden slaagt niet. Anders dan in de door appellante aangehaalde uitspraak van 7 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2809, gaat het in deze zaak niet om de toepassing van het tweede lid van artikel 16 van de WWB. Appellante heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat de ontzegging van de bijstand over genoemde periode in haar situatie in strijd zou zijn met genoemde verdragsbepaling. Ook de beroepsgrond dat het van belang is om te bepalen wat in de situatie van appellante de gebruikelijke vakantieduur is, leidt niet tot een ander oordeel. Appellante plaatst deze grond in het kader van de vraag naar een eventuele ontheffing van de arbeidsverplichtingen, terwijl deze procedure daar niet op ziet.


4.7.

Ten slotte faalt ook de beroepsgrond dat appellante gerechtvaardigde verwachtingen kon ontlenen aan toezeggingen van haar klantmanager, reeds omdat appellante daarvoor geen enkel bewijs heeft geleverd.


4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en J.F. Bandringa en S. Hindriks-Roose als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2015.





(getekend) W.H. Bel




(getekend) J.L. Meijer




HD