Centrale Raad van Beroep, 23-06-2015 / 14-1691 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2003

Inhoudsindicatie
Verlaging bijstand voor de duur van een maand met 100%. Appellant heeft niet gemeld dat hij in het buitenland verblijft, dan wel heeft langer in het buitenland verbleven dan toegestaan is. Op grond van de door appellant overgelegde medische verklaringen, waaronder die van zijn Duitse therapeute, is niet gebleken dat appellant in een acute noodsituatie zal geraken indien behandeling in Duitsland uitblijft.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-23
Publicatiedatum
2015-06-29
Zaaknummer
14-1691 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1691 WWB

Datum uitspraak: 23 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 februari 2014, 13/6873 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P. Sanchez Montoto, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2015. Namens appellant is

mr. Sanchez Montoto verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P. Siemerink.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 18 juli 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. Appellant had bij zijn aanvraag vermeld te wonen op het adres [adres] (uitkeringsadres).


1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding van 27 juni 2012 dat appellant bij een vriendin in Duitsland in de omgeving van Berlijn woont en in Duitsland in de bouw werkt, heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst SZW van de gemeente Den Haag een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader zijn onder meer waarnemingen verricht in de periode van 16 augustus 2012 tot en met 6 november 2012 bij het uitkeringsadres en heeft een ambtenaar appellant gehoord op

29 november 2012 en 10 januari 2013.


1.3.

Op basis van de bevindingen van het onderzoek heeft het college bij besluit van

14 februari 2013 de bijstand van appellant over de periode van 29 januari 2012 tot en met

7 mei 2012 en van 28 juni 2012 tot en met 4 november 2012 ingetrokken en de over die periodes gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 5.560,19. Het college heeft ten aanzien van de eerste periode als grondslag gehanteerd dat appellant niet heeft kunnen aantonen hoe hij in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien en ten aanzien van de tweede periode dat appellant langer dan vier weken in het buitenland heeft verbleven.


1.4.

Bij besluit van 20 februari 2013 heeft het college het bedrag van de terugvordering gebruteerd tot een bedrag van € 7.017,86 vanwege de reeds door het college afgedragen belastingen en premies.


1.5.

Bij besluit van 29 maart 2013 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2013 voor de duur van een maand verlaagd met 100% op de grond dat appellant niet heeft gemeld dat hij in het buitenland verblijft, dan wel langer in het buitenland heeft verbleven dan toegestaan is.


1.6.

Bij besluit van 23 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 14 februari 2013, 20 februari 2013 en 29 maart 2013 ongegrond verklaard. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat appellant langer dan vier weken buiten Nederland heeft verbleven. Op grond van de in Duitsland verrichte pinbetalingen, de afwezigheid van pinbetalingen in Nederland en de tijdens de verrichte waarnemingen in de periode van 16 augustus 2012 tot en met 6 november 2012 waargenomen afwezigheid van appellant, kan hij in de volgende periodes niet in Nederland zijn geweest:

  • - 29 januari 2012 tot en met 7 mei 2012;
  • - 24 mei 2012 tot en met 17 juni 2012;
  • - 25 juni 2012 tot en met 27 juli 2012;
  • - 11 augustus 2012 tot en met 8 september 2012; en
  • - 10 oktober 2012 tot en met 4 november 2012.

De bijstand over de tijd die appellant langer dan vier weken in het buitenland heeft verbleven wordt ingetrokken en bruto teruggevorderd en de verlaging van de bijstand wordt gehandhaafd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij de periode in geding gedeeltelijk wel in Nederland heeft doorgebracht. Verder is sprake van dringende redenen op grond waarvan bijstand had moeten worden verleend. Appellant heeft een ernstige vorm van hernia en rugklachten. Deze klachten werden door toedoen van Nederlandse fysiotherapeuten die hij heeft bezocht ernstiger, zodat niet van hem gevraagd kon worden in Nederland behandeld te worden. Hij bezoekt nu een therapeute in Berlijn, die hem kosteloos behandelt. De behandeling is medisch noodzakelijk, duurt langer dan vier weken en het betreft een unieke behandelmethode.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant betwist in de eerste plaats dat hij in de periode van 29 januari 2012 tot en met

7 mei 2012 in Duitsland heeft verbleven. Uit de door appellant ingeleverde bankafschriften blijkt dat appellant in deze periode noch in Nederland noch elders enige pinbetaling of pinopname heeft verricht, terwijl hij in de daaraan voorafgaande periode wel nagenoeg dagelijks pinbetalingen of pinopnames heeft verricht. Onduidelijk is hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien in deze periode. Appellant is in de onderzoeksfase niet bevraagd over zijn mogelijke verblijf in Duitsland in die periode. In de gronden van bezwaar stelt hij dat zijn verblijf in Duitsland kosteloos was en dat hij daarom geen geld heeft uitgegeven. Ter zitting heeft de gemachtigde gesteld dat appellant een deel van de periode mogelijk in Duitsland heeft verbleven. De rechtbank heeft niet onderkend dat het college op grond hiervan niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant gedurende de gehele periode van 29 januari 2012 tot en met 7 mei 2012 in het buitenland heeft verbleven. Het college was dan ook niet bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, in samenhang met artikel 13, eerste lid, onder e, van de WWB over deze periode tot intrekking van bijstand over te gaan.


4.2.

Het college was wel bevoegd om de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, in samenhang met artikel 17 van de WWB in te trekken. Onduidelijk is immers hoe appellant in de periode van 29 januari 2012 tot en met 7 mei 2012 in zijn levensonderhoud heeft voorzien en voorts bestaat onduidelijkheid over de duur van zijn verblijf in het buitenland. De stelling van appellant dat hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien door de verkoop van geluidsapparatuur en met geld afkomstig van een lening van [naam], slaagt niet. De door appellant in hoger beroep overgelegde verklaring van de koper van de apparatuur en van [naam] zijn onvoldoende nu deze niet zijn onderbouwd met concrete, objectieve gegevens. Als gevolg hiervan is het recht op bijstand over de periode van 29 januari 2012 tot en met 7 mei 2012 niet vast te stellen. De Raad ziet hierin aanleiding om het onder 4.1 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren en het besluit in stand te laten. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat appellant daardoor wordt benadeeld.


4.3.

Ten aanzien van de periode van 10 oktober 2012 tot en met 4 november 2012 stelt appellant dat hij van 4 oktober 2012 tot 18 oktober 2012 niet in Duitsland was, maar heeft verbleven bij de [naam familie] in [plaats], Zeeland. Hiertoe heeft hij een verklaring van deze strekking van de [naam familie] overgelegd. Bij waarnemingen op het adres van appellant is vastgesteld dat in de periode van 15 september 2012 tot en met 9 oktober 2012 het licht aan was in de woning, een beeldreflectie van een televisie of computer waarneembaar was en op sommige avonden een of beide kleine raampjes open waren. Op grond hiervan moet worden geconcludeerd dat appellant in die periode aanwezig was in zijn woning. Verder is van belang dat appellant niet tevoren bij het college heeft gemeld dat hij een aantal dagen in [plaats] zou verblijven en dat hij dat verblijf ook verder niet aannemelijk heeft gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.


4.4.

Het eerste lid van artikel 16 van de WWB biedt de mogelijkheid om in afwijking van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de WWB de gevraagde bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen noodzaken. In een dergelijk geval dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 30 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3175) volgt dat van een acute noodsituatie sprake is indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.


4.5.

De Raad volgt de rechtbank in haar conclusie dat van een dergelijke situatie geen sprake is. Op grond van de door appellant overgelegde medische verklaringen, waaronder die van zijn Duitse therapeute, is niet gebleken dat appellant in een acute noodsituatie zal geraken indien behandeling in Duitsland uitblijft.


4.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet, deels met verbetering van gronden, worden bevestigd.


5. Gelet op 4.1 ziet de Raad aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand. Tevens ziet de Raad aanleiding om, met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb te bepalen dat het college het door appellant betaalde griffierecht vergoedt.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal

€ 1.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 166,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.C.F. Talman en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2015.




(getekend) C. van Viegen




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD