Centrale Raad van Beroep, 23-06-2015 / 13-6032 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2008

Inhoudsindicatie
Weigering ontheffing van arbeidsverplichtingen. Het college heeft appellant terecht in staat geacht gedurende 30 uur per week werk te verrichten dat in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde beperkingen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-23
Publicatiedatum
2015-06-29
Zaaknummer
13-6032 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6032 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

3 oktober 2013, 13/3466 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)





PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. G.L.D. Thomas, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Appellant heeft nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. I.J.G. van Raab van Canstein, kantoorgenoot van mr. Thomas. Als tolk was aanwezig B. Badouri. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. A.A. Brouwer.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontvangt bijstand, ten tijde hier van belang ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van 14 augustus 2008 heeft het college, op grond van een medische keuring door een bedrijfsarts van Achmea Arbo van 26 mei 2008, appellant tot 26 mei 2009 vrijgesteld van de actieve sollicitatieplicht. Appellant is geen ontheffing verleend van de verplichting om mee te werken aan de door het college aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsintegratie of maatschappelijk participeren en is belastbaar bevonden voor een traject maatschappelijke participatie voor vijftien uur per week.


1.2.

Het college heeft appellant op 16 juli 2012 bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) aangemeld voor een medische keuring om te onderzoeken of een traject naar werk voor hem haalbaar is. Het Uwv heeft een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht en op 3 januari 2013 een re-integratieadvies uitgebracht. Uit het rapport blijkt dat appellant, rekening houdend met zijn beperkingen, geschikt wordt geacht voor algemeen aanvaarde arbeid voor 30 uur per week. De urenbeperking is een extra preventieve maatregel, ter voorkoming van uitval als gevolg van psychische c.q. energetische overbelasting. Passend werk voor appellant is niet zwaar fysiek werk met weinig stress en weinig conflicthantering. Mogelijke functies kunnen zijn: kantoorwerk, schoonmaakwerk, werk als toiletmedewerker, inpakwerk, montagewerk en zittend productiewerk.


1.3.

Op grond van het Uwv-advies van 3 januari 2013 heeft het college bij besluit van

9 januari 2013 bepaald dat appellant belastbaar is voor (een traject naar) regulier werk voor

30 uur per week.


1.4.

Bij besluit van 23 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 januari 2013 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het gaat in dit geding uitsluitend om de vraag of het college appellant terecht in staat heeft geacht gedurende 30 uur per week werk te verrichten dat in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde beperkingen. Appellant is van mening dat hij in het geheel niet belastbaar is voor arbeid en betoogt dat het standpunt van het college niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De verzekeringsarts heeft ten onrechte geen aanvullende en specifieke informatie opgevraagd bij zijn psychiater. Jarenlange behandeling bij het Riagg heeft niet geleid tot vermindering van zijn psychische klachten. Hij is bekend met een depressief beeld en gebruikt ook medicatie. In 2008 is geconstateerd dat appellant niet belastbaar was. Het medisch standpunt van de verzekeringsarts in 2013 wordt niet gerechtvaardigd door enige verbetering in de gezondheidssituatie van appellant.


4.2.

Het college heeft zijn standpunt gebaseerd op het in 1.2 genoemde advies van 3 januari 2013. Uit het advies blijkt dat de verzekeringsarts informatie heeft opgevraagd bij de huisarts van appellant en de verkregen gegevens over de psychische gesteldheid van appellant heeft meegewogen in het belastbaarheidsonderzoek. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de informatie die is verkregen van de behandelend sector onvolledig is geweest. Tijdens de zitting is besproken dat appellant in 2004 is behandeld door een psychiater, vervolgens medicatie heeft gekregen en eerst vanaf 15 november 2013 bij een andere psychiater in behandeling is gekomen. De beroepsgrond dat de verzekeringsarts ook informatie had moeten inwinnen bij de psychiater van appellant, slaagt dan ook niet.


4.3.

Het betoog van appellant dat de medische beoordeling in 2013, mede gelet op de in 1.1 vermelde keuring in 2008, niet wordt gerechtvaardigd door enige verbetering in zijn gezondheidssituatie, faalt evenzeer. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de medische conclusies in 2008 en 2013 zijn getrokken op basis van de voorliggende gegevens op de desbetreffende momenten en dat de bedrijfsarts in 2008 ook al had aangegeven dat er mogelijkheden waren tot werken. Appellant heeft bovendien onvoldoende onderbouwd waarom de medische beoordeling van de verzekeringsarts in 2013 niet juist zou zijn. De door appellant in de bezwaarfase ingebrachte brief van zijn huisarts van 29 april 2013 biedt geen aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van het advies van de verzekeringsarts. De in hoger beroep overgelegde medische gegevens van psychiater H. Loen, bij wie appellant sinds 15 november 2013 onder behandeling is, hebben betrekking op de periode van na de in geding zijnde besluitvorming.


4.4.

Uit wat in 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat de beroepsgrond dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel, geen doel treft.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en J.F. Bandringa en S. Hindriks-Roose als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) J.L. Meijer



HD