Centrale Raad van Beroep, 23-06-2015 / 13-564 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:2012

Inhoudsindicatie
In een geval, waarin een vreemdeling met terugwerkende kracht is toegelaten en daarom met terugwerkende kracht om bijstand vraagt, ligt het op zijn weg om aannemelijk te maken dat hij over de achteraf te beoordelen periode kosten van levensonderhoud heeft gemaakt en tot welke omvang, en dat daarin nog niet voorzien is. Appellant heeft dit niet aannemelijk gemaakt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-23
Publicatiedatum
2015-06-25
Zaaknummer
13-564 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/564 WWB

Datum uitspraak: 23 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

23 januari 2013, 12/6051 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een zienswijze en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Witte. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.H. Buizert.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft op 3 juli 2001 een aanvraag om bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet gedaan. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 9 juli 2001 afgewezen omdat appellant geen rechtmatig verblijf hield op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, g, of l, van de Vreemdelingenwet 2000. Bij besluit van 23 juni 2003 heeft het college om dezelfde reden een aanvraag van 8 mei 2003 afgewezen.


1.2.

Bij besluit van 7 maart 2007 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst appellant met ingang van 27 oktober 2001 een verblijfsvergunning verleend, geldig tot 27 oktober 2006 onder gelijktijdige verlenging tot 27 oktober 2011. Appellant heeft zich op 22 maart 2007 bij het college gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 29 maart 2007 heeft het college appellant met ingang van

22 maart 2007 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande.


1.3.

Appellant heeft het college bij brief van 23 januari 2012 gevraagd bijstand toe te kennen over de periode van 27 oktober 2001 tot en met 6 maart 2007 (te beoordelen periode). Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 30 maart 2012 afgewezen en het daartegen gerichte bezwaar bij besluit van 16 juli 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant geen bewijzen heeft overgelegd van de door hem gestelde geldleningen en ook in bezwaar, nadat hij daartoe na de hoorzitting een extra termijn van twee weken had gekregen, niet middels verifieerbare gegevens heeft aangetoond dat hij in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college niet heeft onderkend dat de brief van 23 januari 2012 een verzoek betreft om op basis van nieuw gebleken feiten en omstandigheden terug te komen van het besluit van 9 juli 2001. De rechtbank heeft echter aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten, omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat destijds niet is voorzien in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan. Appellant stelt wel dat anderen hebben voorzien in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij om die reden en in de te beoordelen periode een reële schuld met daadwerkelijke, concrete aflossingsverplichtingen jegens die anderen is aangegaan.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant voert in de eerste plaats aan dat de rechtbank niet zelf in de zaak had mogen voorzien. De rechtbank had de zaak naar het college moeten terugverwijzen om de aanvraag in behandeling te nemen.


4.2.

Deze grond slaagt niet. De rechtbank heeft geoordeeld, net als het college in het bestreden besluit, dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode een reële schuld met een daadwerkelijke, concrete aflossingsverplichting jegens derden is aangegaan. De rechtbank heeft, gelet op die overweging, gebruik kunnen maken van de bevoegdheid om met toepassing van artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht in het kader van een finale geschilbeslechting de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.


4.3.

Appellant voert voorts aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij in de te beoordelen periode geen reële schulden met een daadwerkelijke, concrete aflossingsverplichting is aangegaan.


4.4.

Ook deze grond slaagt niet. Het is aan appellant, als aanvrager van bijstand, om aannemelijk te maken dat hij in de te beoordelen periode niet over de middelen beschikte om in de kosten van zijn dagelijks levensonderhoud te voorzien. In een geval, waarin een vreemdeling met terugwerkende kracht is toegelaten en daarom met terugwerkende kracht om bijstand vraagt, ligt het op zijn weg om aannemelijk te maken dat hij over de achteraf te beoordelen periode kosten van levensonderhoud heeft gemaakt en tot welke omvang, en dat daarin nog niet voorzien is. Zie de uitspraak van 27 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1900. In dit geval is dat niet anders. De enkele stelling dat appellant geen inkomsten had en niet zelf in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan kon voorzien, maakt - anders dan hij stelt - niet dat appellant heeft voldaan aan de op hem rustende stelplicht en bewijslast. Ook nadat hem daartoe in bezwaar een extra termijn was gegeven, heeft hij van zijn stelling geen bewijsstukken overgelegd en ook geen concrete aanknopingspunten verschaft voor onderzoek en verificatie door het college. De door appellant in beroep overgelegde kwitanties, die slechts namen, data en ontvangen bedragen vermelden, zijn onvoldoende om aannemelijk te achten dat appellant in de te beoordelen periode kosten van levensonderhoud heeft moeten maken waarin nog niet is voorzien, zodat daarvan schulden resteren. Uit deze kwitanties op zichzelf kan immers niet worden afgeleid dat de ontvangen bedragen schulden betreffen, die dus moeten worden terugbetaald, en dat die schulden met een bepaald doel zijn aangegaan. Met de door appellant overgelegde stukken heeft hij dan ook niet alsnog aannemelijk gemaakt dat hij in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.


4.5.

Uit 4.2 en 4.4 volgt dat de in hoger beroep aangevoerde gronden niet slagen. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en P.W. van Straalen en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van O. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




De griffier is buiten staat te ondertekenen



HD