Centrale Raad van Beroep, 24-06-2015 / 13-2795 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:2015

Inhoudsindicatie
Beëindiging en terugvordering WAO-uitkering. Het Uwv heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene minder dan 15% arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO. De Raad heeft, evenals de rechtbank, beslissende betekenis toegekend aan de door de rechtbank geraadpleegde deskundige.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-24
Publicatiedatum
2015-06-29
Zaaknummer
13-2795 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2795 WAO

Datum uitspraak: 24 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

19 april 2013, 12/1134 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. D. Gürses, advocaat, een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. dr. J.H. Ermers. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Gürses. Het geding is gevoegd behandeld met het geding geregistreerd onder nummer 14/3502 WAO, waarin heden afzonderlijk uitspraak is gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene heeft zich op 28 februari 2002 met psychische klachten ziek gemeld voor haar werkzaamheden als medewerker expeditie (pick en pack) bij [naam BV]. Met ingang van 27 februari 2003 is haar een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In aanvulling op deze uitkering ontving betrokkene een toeslag op grond van de Toeslagenwet.


1.2.

In het kader van een medische herbeoordeling is betrokkene laatstelijk gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts op 17 september 2009. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat bij betrokkene sprake is van een depressieve stoornis, een angststoornis met agorafobie en collaberen en op basis van de eerdere verslagleggingen, het eigen onderzoek en de ontvangen informatie van de behandelend psychiater S. Gülsaçan, geconcludeerd dat bij betrokkene sprake is van een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Op grond van deze gegevens heeft het Uwv bij besluit van 28 september 2009 de WAO-uitkering van betrokkene ongewijzigd voortgezet.


1.3.

Omdat uit justitiële gegevens was gebleken dat psychiater Gülsaçan mogelijk onjuiste informatie heeft verstrekt over de medische toestand van Uwv-cliënten, heeft een nader onderzoek plaatsgevonden naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene betaalde

WAO-uitkering en toeslag. In dat kader heeft een inspecteur van appellant op 3 mei 2011 bij betrokkene een huisbezoek afgelegd en is betrokkene uitgenodigd voor het spreekuur van verzekeringsarts K.G.M. van den Brand op 11 mei 2011. Deze verzekeringsarts heeft op basis van dossierstudie en eigen medisch onderzoek geconcludeerd dat een psychiatrische expertise nodig is om een juist beeld te krijgen van de diagnose, eventuele persoonlijkheidsproblematiek en of betrokkene goed behandeld wordt.


1.4.

Op verzoek van appellant heeft psychiater G.C. Zwartjes op 26 juli 2011 verslag gedaan van een expertiseonderzoek van betrokkene op 25 juli 2011. Deze psychiater heeft op basis van zijn eigen onderzoek en de beschikbare medische informatie geconcludeerd dat bij betrokkene sprake is van een aanpassingsstoornis NAO met depressieve, angstige en somatoforme kenmerken en dat geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis maar wel van theatrale trekken. Volgens deze psychiater is bij betrokkene geen sprake van een psychiatrische ziekte en is het medicatiebeleid niet adequaat. De psychiater heeft na overleg met verzekeringsarts Van den Brand de diagnose aanpassingsstoornis gewijzigd in aanpassingsproblematiek.


1.5.

De verzekeringsarts Van den Brand heeft vervolgens in haar rapport van 18 augustus 2011 geconcludeerd dat er bij betrokkene geen sprake is van beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek, wel als gevolg van haar persoonskenmerken en gewenning naast het sterk sederende effect van de voorgeschreven medicatie door psychiater Gülsaçan. Zij acht betrokkene met ingang van 17 september 2009 geschikt voor gangbare arbeid zonder beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek.


1.6.

Bij besluit van 19 augustus 2011 heeft appellant de betaling van de WAO-uitkering aan betrokkene geschorst. Bij besluit van 24 augustus 2011 heeft appellant beslist dat betrokkene met ingang van 17 september 2009 arbeidsgeschikt is en geen recht meer heeft op een

WAO-uitkering. Bij besluit van 3 oktober 2011 heeft appellant de toeslag op de

WAO-uitkering eveneens met ingang van 17 september 2009 beëindigd. Bij een ander besluit van 3 oktober 2011 heeft appellant over de periode van 17 september 2009 tot en met

31 augustus 2011 een bedrag van € 32.158,48 aan volgens appellant onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en toeslag van betrokkene teruggevorderd.


1.7.

Bij besluit van 13 februari 2012 (bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen de in 1.6 genoemde besluiten ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd het rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep

L. Greveling van 11 januari 2012. Deze verzekeringsarts acht het aannemelijk dat betrokkene zelf bij de voorgaande beoordeling een onjuist en/of onvolledig beeld van haar klachten en belemmeringen heeft gegeven omdat het gedrag dat zij op het spreekuur liet zien gebaseerd is geweest op gedrag en niet op ziekte.


2.1.

In beroep heeft betrokkene aangevoerd dat de verzekeringsartsen en psychiater Zwartjes een onjuiste diagnose hebben gesteld. Betrokkene heeft daarbij verwezen naar een medisch advies, opgesteld in opdracht van betrokkene, door Westerweel Intermediairs van 7 augustus 2012. In dit medisch advies is geconcludeerd dat betrokkene een aantal basiskenmerken vertoont van een depressieve stoornis.


2.2.

De rechtbank heeft aanleiding gezien een deskundige te benoemen voor nader onderzoek. In het rapport van 11 januari 2013 heeft de deskundige, psychiater R.J.H. Winter, in antwoord op vragen van de rechtbank, geconcludeerd dat bij betrokkene op en na 17 september 2009 sprake is van een gecombineerde stoornis op het niveau van het geestelijk functioneren ten gevolge van zowel ziekte als gebrek in psychiatrische zin. Volgens Winter is sprake van een depressieve stoornis, ernstig, chronisch. Tevens is sprake van een lichte mate van zwakzinnigheid (IQ rond de 70). Op de bewuste datum was er bij betrokkene sprake van beperkingen op het niveau van gedragingen. Deze beperkingen vonden vooral hun weerslag in het regressieve beeld dat er inmiddels was ontstaan. Bij betrokkene was sprake van aanzienlijke handicaps op het niveau van sociale rolvervulling. Deze kwamen voort uit de combinatie van de inmiddels gechronificeerde depressieve toestand, haar verstandelijke beperking, de invloed van de sterk sederende medicatie en de toch al sterk beperkte copingmechanismen. Volgens Winter is het uitermate onwaarschijnlijk dat betrokkene op de bewuste datum als arbeidsgeschikt kan worden aangemerkt. Met betrekking tot de in het rapport van de verzekeringsarts van 17 september 2009 vermelde gedragingen van betrokkene heeft de deskundige geconcludeerd dat deze een resultante zijn van een combinatie van stoornis en gebrek, met regressie als complicerende omstandigheid. Het gedrag van betrokkene moet volgens Winter dan ook veeleer worden uitgelegd als een uiting van deze combinatie van stoornis en gebrek en niet als een ontbreken van stoornis of gebrek.


2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, de primaire besluiten van 19 augustus 2011,

24 augustus 2011 en de beide besluiten van 3 oktober 2011 herroepen, appellant veroordeeld tot betaling aan betrokkene van de wettelijke rente zoals weergegeven in de uitspraak en bepalingen gegeven over proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat in vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken is de rechtbank niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek van Winter, waarbij hij kennis heeft genomen van de informatie van de behandelende sector, van de verzekeringsartsen en van psychiater Zwartjes, zorgvuldig en volledig is geweest. De reactie van de zijde van appellant op het deskundigenrapport heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven de deskundige niet te volgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Winter op de reactie van appellant uitvoerig gemotiveerd bericht dat in het standpunt van appellant en Zwartjes geen aanleiding is gelegen zijn conclusies te wijzigen. Daarom heeft de rechtbank het oordeel van de deskundige Winter gevolgd.


3. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat er juist alle aanleiding was om af te wijken van het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar een rapportage van verzekeringsarts bezwaar en beroep W.C. Hovy van 22 mei 2013. Volgens deze verzekeringsarts berusten de conclusies van deskundige Winter niet op voldoende weging van inconsistenties in het dossier. Deze zijn onvoldoende door hem getoetst en weerlegd. Daarnaast is er een niet getoetste aanname van het bestaan van een ontwikkelingsstoornis (zwakbegaafdheid) die de klachten en coping zouden beïnvloeden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Voorop wordt gesteld dat het bestreden besluit een belastend besluit is. Dit betekent dat op appellant de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of voldaan wordt aan de voorwaarden voor het met terugwerkende kracht tot 17 september 2009 intrekken en terugvorderen van de aan betrokkene betaalde WAO-uitkering en toeslag. In dat verband dient allereerst de vraag te worden beantwoord of appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene met ingang van 17 september 2009 minder dan 15% arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO.


4.2.

Bij de beantwoording van die vraag heeft de Raad, evenals de rechtbank, beslissende betekenis toegekend aan de door de rechtbank geraadpleegde deskundige. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen ligt in vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2010:BL9276) besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter benoemde deskundige in beginsel wordt gevolgd. Van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is ook de Raad niet gebleken. Het door de deskundige verrichte onderzoek is volledig en zorgvuldig geweest. Hij heeft betrokkene uitvoerig onderzocht en kennis genomen van en rekening gehouden met medische informatie van de verzekeringsartsen, de door appellant ingeschakelde psychiater Zwartjes en van de behandelend artsen. De deskundige heeft in zijn rapport zijn conclusies inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd en ook voldoende gemotiveerd waarom het commentaar van psychiater Zwartjes hem geen aanleiding heeft gegeven zijn conclusies te wijzigen.


4.3.

In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor een ander oordeel. De door verzekeringsarts bezwaar en beroep Hovy gesignaleerde inconsistenties doen er niet aan af dat de door de rechtbank geraadpleegde deskundige op basis van eigen medisch onderzoek en kennisname van alle beschikbare medische informatie tot zijn afgewogen oordeel is gekomen. De deskundige heeft ook voldoende gemotiveerd dat bij betrokkene sprake is van een lichte mate van zwakzinnigheid die de klachten en de coping heeft beïnvloed.


4.4.

De conclusie is dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene met ingang van 17 september 2009 minder dan 15% arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO. Het hoger beroep van appellant slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Er bestaat aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van

€ 980,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 497,- wordt geheven.



Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.I. van der Kris en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) W. de Braal



HD