Centrale Raad van Beroep, 24-06-2015 / 14-3355 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:2023

Inhoudsindicatie
Korting AOW-pensioen wegens niet verzekerde jaren. De rechtbank heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Duuraanspraak. Bij de toetsing van de herhaalde aanvraag dient onderscheid gemaakt te worden tussen het verleden en de toekomst. Niet geconcludeerd kan worden dat de Svb bepaalde perioden onterecht als niet verzekerde tijdvakken heeft aangemerkt. Naar het verleden toe kan niet gezegd worden dat appellant nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd. Naar de toekomst moet de conclusie zijn dat appellant niets heeft aangevoerd op grond waarvan het oordeel van de Svb met betrekking tot de niet verzekerde perioden onjuist zou zijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-24
Publicatiedatum
2015-06-29
Zaaknummer
14-3355 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3355 AOW

Datum uitspraak: 24 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 mei 2014, 13/6477 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Suriname (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2015. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN


1. Appellant heeft per april 2010 recht gekregen op een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), waarop in eerste instantie een korting is toegepast van 64% wegens, afgerond, 32 niet verzekerde jaren. Dit besluit is door de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 30 januari 2012 in stand gelaten. Wel heeft de rechtbank ten overvloede opgemerkt dat de Svb zich bereid heeft verklaard te bezien of appellant tussen april 1991 en 1 januari 2000 als vrijwillig verzekerd aangemerkt kan worden. Hij was in die periode woonachtig in Duitsland en ontving vanaf april 1991 vanuit Nederland een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met een besluit van 4 april 2013 heeft de Svb appellant laten weten dat hij vanaf 1 april 1991 tot 1 januari 2000 bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering voor de AOW. Op 21 mei 2013 heeft de Svb appellant een besluit gezonden dat hij een extra periode als verzekerd is aangemerkt en dat hij een nabetaling zal ontvangen. Ook is hem gemeld dat een gedeelte van deze nabetaling verrekend wordt met een nog openstaande vordering. In bezwaar tegen dit laatste besluit geeft appellant aan dat uit het besluit niet blijkt hoeveel extra AOW hij krijgt, dat hij het niet eens is met de overblijvende korting en ook niet met de verrekening. In de beslissing op bezwaar van

1 oktober 2013 (bestreden besluit) legt de Svb uit dat appellant een AOW-pensioen krijgt ter hoogte van 54% van het maximale pensioen voor iemand die alleenstaand is. Gezien artikel 4:96 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Svb het besluit tot uitstel van betaling intrekken of wijzigen wegens wijziging in omstandigheden. Met de verrekening van de nabetaling met de nog openstaande vordering is de gehele vordering nu voldaan. De Svb verklaart het bezwaar dan ook ongegrond.


2. De rechtbank stelt vast dat wat appellant heeft aangevoerd, ziet op de periode van 1960 tot en met 31 maart 1991. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is sprake van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat besluit voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Nu de procedure slechts betrekking kan hebben op het alsnog toekennen van een AOW-pensioen over de periode 1 april 1991 tot en met 31 december 1999 en de nabetaling over die periode dan wel de verrekening, en appellant met betrekking tot deze periode niets heeft aangevoerd, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.


3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij meent recht te hebben op een hoger pensioen.


4.1.

De rechtbank kan niet gevolgd worden in haar oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. In zowel het besluit van 21 mei 2013 als in het bestreden besluit heeft de Svb uiteengezet welke perioden appellant als niet verzekerd is aangemerkt. De rechtbank heeft dus ten onrechte geoordeeld dat slechts de periode 1 april 1991 tot en met 31 december 1999 ter beoordeling voorlag en dat appellant met betrekking tot deze periode geen gronden heeft aangevoerd, zodat het beroep niet-ontvankelijk verklaard diende te worden. De aangevallen uitspraak zal dan ook vernietigd worden.


4.2.

In het kader van de definitieve geschilbeslechting zal de Raad een oordeel geven over het bestreden besluit. Van belang hierbij is dat al in een besluit van 29 oktober 2010 gemotiveerd is vastgesteld welke perioden appellant als niet verzekerd is aangemerkt. De rechtbank Amsterdam heeft, bij uitspraak van 30 januari 2012 het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellant heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld. In het bestreden besluit heeft de Svb deze perioden van niet verzekerd zijn opnieuw bezien en is tot de conclusie gekomen dat de vaststelling juist is geweest.


4.3.

In het licht van de rechtspraak met betrekking tot de duuraanspraak dient bij de toetsing van de herhaalde aanvraag een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst. Wat betreft de periode voorafgaande aan de nieuwe aanvraag, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Voor de periode na de aanvraag moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toets plaatsvinden. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen.


4.4.

Vastgesteld moet worden dat wat appellant heeft aangevoerd, niet kan leiden tot de conclusie dat de Svb bepaalde perioden onterecht als niet verzekerde tijdvakken heeft aangemerkt. Naar het verleden toe kan niet gezegd worden dat appellant nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd. Naar de toekomst moet de conclusie zijn dat appellant niets heeft aangevoerd op grond waarvan het oordeel van de Svb met betrekking tot de niet verzekerde perioden onjuist zou zijn.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het beroep ongegrond verklaard moet worden.


5. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat de Svb aan appellant het hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015.




(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) H.J. Dekker



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip verzekerde.




HD