Centrale Raad van Beroep, 24-06-2015 / 13-5626 ANW


ECLI:NL:CRVB:2015:2028

Inhoudsindicatie
Weigering nabestaandenuitkering. De echtgenoot van appellante was ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd ingevolge de ANW en ook niet ingevolge de Marokkaanse wettelijke regelingen. Evenmin is gebleken van deelname aan de vrijwillige verzekering.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-06-24
Publicatiedatum
2015-07-01
Zaaknummer
13-5626 ANW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5626 ANW

Datum uitspraak: 24 juni 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 september 2013, 13/587 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats], Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2015. Appellante is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante woont in Marokko. Haar echtgenoot, geboren [in] 1942, was ten tijde van zijn overlijden op 17 maart 2012 eveneens woonachtig in Marokko. De echtgenoot van appellante ontving vanaf 1 januari 2007 tot zijn overlijden een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).


1.2.

Appellante heeft een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd.


1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 18 december 2012 (bestreden besluit) heeft de Svb zijn besluit van 21 augustus 2012 gehandhaafd, waarbij is geweigerd een nabestaandenuitkering aan appellante toe te kennen omdat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was ingevolge de ANW en ook niet ingevolge de Marokkaanse wettelijke regelingen. Evenmin is gebleken van deelname aan de vrijwillige verzekering.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden niet voldeed aan de voorwaarden om verzekerd te worden geacht ingevolge de ANW. Ook anderszins kan appellante geen aanspraak maken op een nabestaandenuitkering.


3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij recht heeft op een nabestaandenuitkering, omdat haar echtgenoot een AOW-pensioen ontving. Bovendien bevindt zij zich in een slechte financiële situatie en heeft zij geld nodig om voor haar familie te zorgen.


4.1.

De Raad komt niet tot een ander oordeel dan de Svb en de rechtbank. Het sinds januari 2007 aan de echtgenoot van appellante toegekende AOW-pensioen kon niet tot verplichte verzekering voor de volksverzekeringen leiden, zodat de echtgenoot van appellante niet op grond van dit pensioen als verzekerd ingevolge de ANW kon worden aangemerkt. In dit verband wordt nog opgemerkt dat de Svb bij besluit van 30 januari 2013 afwijzend heeft beslist op een door appellante ingediend verzoek om haar echtgenoot postuum toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de ANW. Daartegen is geen rechtsmiddel aangewend.


4.2.

Uit 4.1 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2015.




(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) H.J. Dekker




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.




JvC


DÉCISION


La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),


statue:


confirme la décision attaquée.


Par conséquent, décidée par M.M. van der Kade en présence de H.J. Dekker en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 24 juin 2015.




Les parties disposent d’un délai de six semaines à compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas

Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL 2500 EH ’s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assurés.